Hij liet zijn dochter half in de steek

Actrice Audrey Bolder (45) maakte een solovoorstelling over het leven van de oudste dochter van meubelmaker en architect Gerrit Rietveld, die haar vader zag wegdrijven van zijn gezin. „Ze probeert het netjes te houden maar ik zie haar pijn.”

Tekst Jessica van Geel Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak
Foto Andreas Terlaak

Rood-blauwe stoel

„Mijn vriend raadde me aan een museumjaarkaart te kopen en met mijn opschrijfboekje langs musea te gaan. Ik wilde al een tijd weer een eigen voorstelling maken en kunst inspireert me, was zijn idee. Dus op een vrijdagmiddag, twee uur voor sluitingstijd, ging ik naar het Centraal Museum in Utrecht – mijn woonplaats. Ik dacht, ik haal zo’n kaart en loop nog even een uurtje rond, dan ben ik alvast begonnen. Zo kwam ik op de Rietveld-afdeling terecht. Ik wist bijna niets van Gerrit Rietveld. Ja, ik ken die stoel, weet dat hij uit Utrecht komt en dat hij het Rietveld-Schröderhuis heeft gemaakt, maar verder… Ik ging op de Rood-blauwe stoel zitten en bekeek een documentaire. Daarin kwam bijna onmiddellijk zijn oudste dochter Bep (1913-1999) aan het woord. Ze zei: ‘Hij heeft ons niet helemaal in de steek gelaten, half in de steek gelaten.’ Ik voelde een pijn bij haar. Wat was daar aan de hand? Ik was meteen gegrepen. Ik heb de documentaire toen nog een keer gekeken tot ik me realiseerde dat ik in een donkere zaal zat. Het museum was dicht. Niemand hoorde me. Uiteindelijk kon ik eruit door op de achterdeur te bonzen. Ondertussen hoorde ik telkens dat zinnetje van Bep in mijn hoofd. Ik wist het toen al: ik wil die vrouw een stem geven.”

Harmonium

„Maandenlang heb ik onderzoek gedaan. Ik heb in archieven gezocht, beelden bekeken, met de dochters van Bep gesproken en ik heb haar leven tot een toneelstuk verwerkt. Bep was schilderes, Charley Toorop heeft haar nog lesgegeven. Ze trouwde drie keer en kreeg zes kinderen. Maar het verhaal gaat vooral over haar jeugd: hoe ze als meisje haar vader mateloos bewondert en hoe dat omslaat. Gerrit Rietveld was ontzettend handig; hij schilderde, maakte sieraden, medailles, kinderspeelgoed. Ondertussen speelde moeder op het harmonium en zong psalmen. Dat was Beps gelukkige, harmonieuze tijd. Maar vanaf haar zesde, zevende toen Rietveld de stoel had gemaakt en ontdekt werd door de kunstbeweging De Stijl, werd het onrustig. Kunstenaars als Theo van Doesburg en architect Robert van ’t Hoff kwamen over de vloer. Terwijl Bep dat ‘moderne’ allemaal reuzespannend vond, had haar streng gereformeerde moeder er grote moeite mee. Bep zag haar vader steeds verder van het gezin afdrijven.”

Bammen

„En toen kreeg haar vader ook nog een verhouding met mevrouw Schröder. Wanneer die verhouding begon is niet duidelijk, maar ze kenden elkaar al een hele tijd voor ze samen in 1924 dat huis aan de Prins Hendriklaan ontwierpen. Mevrouw Schröder, inmiddels weduwe, ging daar wonen met haar drie kinderen en Rietveld heeft er nog een tijd een werkplaats gehad. Hij had als het ware twee gezinnen en Bep was jaloers op de aandacht die dat andere gezin kreeg. Dat laat ik in mijn voorstelling bijvoorbeeld zien doordat Bep geen bammen – van die grote knikkers – van haar vader mocht pakken; hij had ze speciaal voor kinderen van opdrachtgevers gekocht. Maar als Bep een keer in het huis van mevrouw Schröder is, ziet ze dat die kinderen wél bammen hebben gekregen.”

Liftsters

„Bep vergoelijkt iets in dat interview, dat fascineert me. Ze probeert het netjes te houden maar ik zie haar pijn. Dat dubbele is voor een theatermaker mooi om te spelen. Enerzijds bewonderde ze haar vader, anderzijds vervloekte ze hem om die affaire. Ik herken ook wel wat van mezelf in haar. Ik was als kind ook dol op mijn vader en ik was jaloers als hij grapjes maakte met anderen. Ik weet dat hij een keer liftsters uit Arnhem meenam. Ze kwamen van de kunstacademie denk ik, want ze zagen er gek uit met bonte jassen en raar haar. Ik kroop in een hoekje, vond het bedreigend. Mijn vader overleed toen ik eenentwintig was. Het is het grote verdriet van mijn leven. Het thema vader-dochter; mijn afstudeerstuk ging daar ook over. Misschien heeft iedereen één thema dat altijd terugkomt en is dit het mijne.”

Halleluja

„Ik kom uit Didam, een dorp ten oosten van Arnhem, bijna bij de Duitse grens. Ik ben de tweede van vier, ik heb een oudere broer en een broer en een zus onder me. Vanaf mijn puberteit vond ik het dorp verschrikkelijk. Benauwend en katholiek. Als kind was ik altijd aan het zingen en toneelstukjes aan het maken. En toen ik twaalf was en in de brugklas zat, kwamen er twee mensen van de toneelschool uit Arnhem op school een project doen. Halleluja, er bestaat zoiets als een toneelschool!, dacht ik. En dat is in Arnhem en daar kan ik gewoon héén. Er is een leven voor mij.”

Gezellige fabriek

„Na de toneelschool heb ik zeven jaar het cabaretduo Bolder en Plante gehad, met Victorine Plante. Ik kon daar veel van mijn creativiteit in kwijt, scènes bedenken, stukjes schrijven. Het was heel fysiek theater. We gooiden dingen naar elkaar. Sloegen elkaar. Vaak zaten we onder blauwe plekken. Dat was toen, vanaf 1998 bedoel ik dan, nog nooit door andere vrouwen gedaan. We hebben drie programma’s gemaakt in zeven jaar tijd, daarna was het voor mijn gevoel op en ben ik een zangopleiding gaan doen. Nu speel, regisseer en zing ik. Ik had de hoofdrol in de musical over Dusty Springfield en speelde in de voorstelling Veel gedoe om niks van de Utrechtse Spelen. En ik heb in Goede Tijden Slechte Tijden gespeeld, als de moeder van Tim die in Amerika woont en af en toe terugkomt waarna de pleuris uitbreekt. Toen ik naar de toneelschool ging riep iedereen uit m’n dorp altijd al: Oh, dan ga je Goede Tijden doen! Daar had ik echt geen zin in. Maar het is dus te gek. Het is één grote gezellige fabriek waar iedereen elkaar kent. En ik vond het ook wel een uitdaging om voor drie camera’s te spelen. Dat had ik nog nooit gedaan.”

Blow-out

„En toen werd ik ziek, anderhalf jaar geleden. Ik had net mijn eerste uitprobeerseltjes met Bep gedaan. Ik was klaar met GTST en zou in februari weer verder filmen. Ik kreeg last van mijn ongesteldheid, voelde me niet lekker en werd steeds moeier. Ik bleek baarmoederkanker te hebben en moest geopereerd worden. Bij die operatie hebben ze iets geraakt waardoor ik een blow-out van mijn urineleider kreeg. Dat betekent dat-ie dicht zat. Er kwam veel druk op mijn nier te staan en mijn urineleider knapte. Toen werd ik pas echt ziek. Uiteindelijk lag ik met twee drains in mijn buik, een nierkatheter, blaaskatheter, interne katheter en allerlei andere slangen in het ziekenhuis. Ik heb tien dagen niet kunnen eten. Ik dacht: ik moet volgende week draaien. Oké, die katheters kunnen we wel wegwerken aan de zijkant of zo. De dokter verklaarde me voor gek. Hij moest me echt overtuigen dat ik te ziek was. Ik ga voor mijn werk vaak over mijn grenzen. Rietveld heeft eens gezegd dat hij gedreven werd door egoïsme, de realisering van zijn eigen bestaan. De prijs voor zijn werklust was het geluk van zijn gezin; ik ben geneigd mijn gezondheid te offeren. Bij Bolder en Plante stond ik soms met veertig graden koorts te spelen. Goed, dat hoort er bij, maar zo ver wil ik niet meer gaan. Heb ik mezelf voorgenomen.”