Haar is een reflectie van de ziel

Kapper Christiaan (70), geboren in Bovenkarspel, is een van de meest gevraagde haarstylisten ter wereld. Over een week opent hij in Utrecht een tentoonstelling over mensenhaar in de kunst. „De eerste jaren was ik de loodgieter van de modewereld.”

Tekst Arjen Ribbens

Selfies van Christiaan door de jaren heen. In het midden met actriceTilda Swinton. Onder met de topmodellenGisele Bündchen (links) enLinda Evangelista.

Een vraaggesprek met Christiaan Houtenbos heeft wat voeten in de aarde. Zijn agenda is druk en hij is niet vaak meer in Nederland. Maar dan schrijft hij opeens: „Will be in Amsterdam on Saturday.” Tussendoor moet hij wel even iemands haar doen, waarschuwt hij.

De knipbeurt begint met een dialoog tussen twee globetrotters. „Christiaan, was it in Sydney, that you cut my hair the last time?” De kapper krabt even op zijn hoofd, door zijn deels blauw geverfde haren. Nee, zegt hij tegen de jonge vrouw in de stoel, Sydney was langer geleden. „De laatste keer was in Buenos Aires. En daarvoor in Londen.”

Dit keer is het rendez-vous in een kleine kapsalon op de Herengracht in de hoofdstad. De Spaanse vrouw heeft zich stipt om half een gemeld, samen met haar zoontje en een nanny. Christiaan (zijn achternaam gebruikt hij nooit) heeft de salon eventjes geleend van een vriendin. Een paar uur eerder is hij op Schiphol geland, na een vlucht vanuit zijn woonplaats New York. Eén dagje Nederland, en dan moet hij in Madrid zijn, voor een photoshoot van modeontwerpster Carolina Herrera. Daarna naar Londen, voor een klus met Chanel. Dan naar New York, voor „een dingetje met Viktor & Rolf”. Na een tussendoortje in Kroatië komt hij vervolgens weer naar Nederland, om in het Centraal Museum Utrecht een tentoonstelling over menselijk haar in mode en kunst te openen.

Christiaan doet zijn drukke reisschema af als een „gentleman’s schedule”. De laatste jaren piept hij er soms een paar dagen tussenuit. Om „een beetje te klooien” in zijn buitenhuis in The Hamptons – dichten, kleien, en sculpturen zagen uit boomstammen.

Voor een dorpsjongen uit het West-Friese Bovenkarspel heeft Christiaan het ver geschopt. Al bijna veertig jaar is hij een van de meest gevraagde haarstylisten ter wereld. Kijk naar de slideshow op zijn site. Foto’s van Kate Moss, Naomi Campell, Brad Pitt en tal van andere, door hem gekapte bekende hoofden trekken voorbij. Niet dat het hem veel uitmaakt wie hij knipt. „Ook beroemde mensen kunnen maar op één stoel tegelijk zitten.”

U bent op uw twaalfde in de kapperszaak van uw vader begonnen. Wilde u altijd al kapper worden?

„Denk je dat ik daar ooit over had nagedacht? Ik was de oudste van twaalf kinderen. Mijn ouders konden iedere cent goed gebruiken, en ik was een gratis kracht. Als ik uit de ULO kwam moest ik vegen, en later de boeren inzepen die mijn vader ging scheren. Toen ik zestien was, tekende mijn vader met een vinger een lijn op het hoofd van de klanten. Alles onder die lijn haalde ik dan met een tondeuse weg. Een techniek waar ik later nog veel plezier van heb gehad.”

Al jong bent u in New York aan de slag gegaan. Hoe kwam u daar terecht?

„Door stom toeval. Op mijn achttiende moest ik in militaire dienst. Ik wilde weg uit Nederland. Dus gaf ik me op bij de mariniers. In Nieuw-Guinea waren ze gelukkig net uitgevochten. Ik werd uitgezonden naar Aruba en Curaçao. Daar knipte ik af en toe een Amerikaanse vrouw. Die vond dat ik zo goed knipte, dat ze een aanbevelingsbrief voor me schreef naar de hoofdredacteur van het tijdschrift Glamour. De hoofdredacteur dacht dat die brief geschreven was door een beroemd iemand met dezelfde naam. Toen ik in New York aankwam, stond er een limo voor me klaar. Bij vijf grote kapsalons mocht ik een dag rondkijken. Ik sprak nauwelijks Engels. Als een stil muisje stond ik in een hoekje naar die fancy vrouwen te kijken. Maar toen ik weer in Nederland was, kreeg ik van twee salons aanbiedingen. Niet veel later, als 21-jarige, ben ik naar New York gevlogen, om nooit meer terug te keren.”

Waarom viel u daar zo in de smaak?

„Daar heb ik vaak over nagedacht. Ik was beslist niet ambitieus. Mijn houding was altijd van ‘We zien wel’. Ik begon in de salon van Bergdorf Goodman, het warenhuis. Daar werkte een stel oudere kappers, allemaal gays. Ik dacht dat ik de shampoo boy zou worden, de jongen die de haren mocht wassen. Maar ze hadden een stoel in een hoekje van de salon voor me neergezet en de beauty en fashion editors van de grote bladen uitgenodigd voor een gratis knipbeurt. Ik was een schattige, nauwelijks Engels sprekende ex-marinier. En mijn stijl van knippen was anders.

„Er loopt, denk ik, een draad van de zaak van mijn vader, via de kappersschool naar Loek Limburg, de bekende dameskapper bij het Sarphatipark in Amsterdam, waar ik kort had gewerkt. Geleidelijk had ik een eigen filosofie over haar ontwikkeld. Toen ik in New York begon, had je veel van die vastgeplakte kapsels. Ik sta voor vriendelijk en menselijk haar.”

Geconcentreerd, zonder te praten, werkt Christiaan in de kapsalon op de Herengracht aan de coupe van de jonge Spaanse vrouw. Knippen doet hij niet. Steeds pakt hij een pluk haar en snijdt dat met een van de poten van zijn schaar in vijf, zes bewegingen in verschillende lengtes.

Christiaan: „Andere kappers zien haar vaak als iets dat ze kunnen manipuleren, dat losstaat van de eigenaar. Ik heb haar altijd behandeld alsof het water is. Nee, lak gebruik ik nooit. Als haar niet beweegt, is het voor mij geen haar. Haar is een reflectie van de ziel. Die twee heb ik nooit los van elkaar kunnen zien. Als kapper moet je haar vrijmaken.”

Hij is goed in small talk, zegt hij. Alleen niet als hij knipt. „Als kapper let ik steeds op de vibes van degene die ik knip. Ik moet niet alleen zorgen voor een goed kapsel, maar ook dat degene in mijn stoel zich prettig voelt. Als die twee niet matchen krijg je geen optimaal resultaat. Tijdens het knippen controleer ik steeds of degene in de stoel zich happy voelt. De signalen die ik opvang, daar reageer ik op.”

Na een half uur is Christiaan klaar met het kapsel van de Spaanse. Het is een losse coupe geworden; ’s morgens een hand erdoorheen, veel meer lijkt niet nodig.

De jonge vrouw is een van zijn weinige vaste klanten, zegt hij. „Ik heb een hekel aan herhaling. Nee, ingewikkeld is haar kapsel niet. Het zit ’m in de details, dat ze alleen door mij geknipt wil worden en steeds wacht waar op de wereld wij elkaar kunnen ontmoeten. Zolang ze niet elke maand belt, is het goed.”

Van de blonde lokken op de grond maakt hij een foto. Dagelijks schiet hij zo wel zeventig foto’s, zegt hij. Ze zijn bestemd voor een groot, „social media-achtig” boek, waar hij al jaren aan werkt. „Ik heb zoveel verhalen te vertellen. Dat wil ik voor de jongelui achterlaten.”

Met zijn handen veegt hij vervolgens het haar van de Spaanse bij elkaar. Tijdens het vervolg van het gesprek rolt hij daar geduldig een mooie bal van, die uiteindelijk in zijn kapperstas verdwijnt. Op zijn telefoon laat hij een gekleid hart zien gevuld met haar. Keramiek maken is een van zijn hobby’s, zegt hij.

Als hij met een omhelzing afscheid heeft genomen van zijn klant, zegt Christiaan achteloos dat hij de vrouw ook in vijf minuten had kunnen knippen, met bijna hetzelfde resultaat. „Maar ik weet dat er voor haar veel van afhangt. Dus geef ik haar de concentratie en de aandacht die ze van me verwacht.”

In cafés en in Central Park in New York knipt u soms passanten, gratis. Waarom doet u dat?

„Dat is voor mij een soort laboratorium. Knipbeurten van vijf tot tien minuten, ruig en rauw, soms wel zestig achter elkaar, dat is een fantastische oefening. Dan zie ik nieuwe manieren en probeer ik dingen uit. Het helpt ook bij een van de doelstellingen uit mijn jeugd: dat ik altijd een antwoord wil hebben. Black hair, Chinese hair, ik moet het allemaal kunnen.”

U opent in het Centraal Museum een expositie over menselijk haar in de kunst. Kan knippen een vorm van kunst zijn?

„Kunst en haar, dat heeft iets paradoxaals. Kunst is relevant voor iedereen, net als haar. Maar haar was nooit relevant voor kunst. Het was afval.

„Ik ben opgegroeid met de gedachte dat knippen een ambacht is, een dienend beroep. De eerste jaren was ik ook zeker de loodgieter van de modewereld. Maar er is een niveau, waar je in een heel andere hoek verzeild raakt. Fotografen als Mario Testino, en Inez van Lamsweerde & Vinoodh Matadin verwachten dat ik steeds weer iets verzin.

„Toen ik veertig was verwachtte ik dat het wel ongeveer afgelopen zou zijn met me. Dat ik nu nog steeds zo veel gevraagd word, komt omdat ik geen statische kapsels maak. Ik heb haar nooit gezien als iets waaraan je timmert of schaaft. Dat heeft me, denk ik, aantrekkelijk gehouden.”

Bent u een steeds betere kapper geworden?

„Qua technieken zeker niet. Er zijn kappers die veel betere golven of een chignon kunnen maken dan ik. Daar focus ik ook niet op. Maar ik heb steeds meer ervaring. Wat ik ook tegenkom, altijd kan ik putten uit die steeds vollere zak met herinneringen die ik als Zwarte Piet met me meedraag. Van fotografen hoor ik vaak dat jonge kappers niet weten hoe ze snel simpele en vriendelijke oplossingen kunnen realiseren.”

Wie zou u graag eens knippen?

„Michelle Obama, dat roep ik al jaren. Dat stomme imitatie-witte-mensenhaar is vreselijk. Haar man heeft goed haar. Maar Michelle, en nu hun ook hun dochters, hebben namaak wit haar. Zelf heb ik soms dreadlocks. Dus waarom zwarte mensen dan geen wit haar zouden mogen nemen? Omdat het tijdverspilling is en ongezond bovendien. Om kroeshaar recht te krijgen, moet je soms zes tot zeven uur bij de kapper zitten. In de jaren tachtig is die onzin begonnen. Als je zou weten hoe het nu met het haar van sommige zwarte modellen is gesteld.”

De telefoon gaat, het Witte Huis wil...

Gehaast: „Ik kan je garanderen dat de telefoon niet gaat. Ik ken de mensen die Michelle Obama stylen. Zolang ze in het Witte Huis woont, verandert er niks. En als ze het daarna anders zou willen? Dan moet alles er af. Met niks beginnen en dan zien hoe het groeit.”

Vroeger werd u soms als een ‘bad boy’ omschreven, iemand die uit de band kon springen, ongevraagd een pluk uit iemands haar kon knippen. Hoe is dat nu?

„Heb je het over mij?” En dan met een lach: „Ik ben rustiger geworden, maar het is nog niet helemaal over. Van mijn vrouw mag ik niet meer met mijn schaar op zak over straat.”

Waarom niet?

Na een stilte en een wegwerpgebaar: „Niet dat er ooit iets ergs is gebeurd. But shit happens, sometimes, you know.”

Christiaan zet zijn oranje muts op. Hij moet nog het een en ander doen. Voor hij weer in het vliegtuig stapt, gaat hij met de trein naar zijn geboortedorp Bovenkarspel om zijn 98-jarige moeder op te zoeken. Zij is de enige persoon ter wereld die hem nog Piet of Pietje noemt, zijn geboortenaam. „In de salon van Bergdorf Goodman werkte al een Mister Pete. Ik heb daar een alfabet van namen opgeschreven. Toen de collega’s de naam bij de C zagen, zeiden ze: ‘Christiaan, that’s you.’”

    • Arjen Ribbens