Opinie

Gouden dagen voor politiek nihilisme

Jaren geleden al, begin jaren negentig, kon je tijdens de Joegoslavische oorlog ineens een Nederlander tegen het lijf lopen die met een Kroatische militie meevocht. Een ambtenaar uit Den Haag, zo bleek, die een maand vrij had genomen, op zoek naar enige opwinding en een goede zaak. Sterverslaggevers uit heel Europa boden ’s avonds in Bosnische hotels tegen elkaar op met opwindende verhalen van het front. De een had een kind gered. De ander riep: „Ik kon net wegduiken, de kogels floten om mijn oren!” De derde had vriendinnen in menig kapotgeschoten stad, die allemaal wilden trouwen. Veel journalisten speelden een beetje de held. Dankzij de journalistiek kon je de thrill van de oorlog meemaken en haar tegelijkertijd hard veroordelen.

Toen waren dit randverschijnselen. Toen ging Europa nog ergens heen. De muur was om, het Sovjetgevaar smolt weg. Het Westen had gewonnen. Dat gaf ons een missie: de rest van de wereld zou worden zoals wij. Joegoslavië was de laatste oprisping van de oude orde waarin je je gelijk haalde door te vechten, niet door handel te drijven. Wij Europeanen stonden daarboven: wij werkten aan de interne markt, aan de euro en Schengen, grootse projecten waar de ex-Joegoslaven op een dag misschien ook aan mee zouden doen. Of misschien? Zeker! Zo ging het met de beschaving: altijd een opgaande lijn. Wij Europeanen wisten zelf: je komt uit een oorlog en ineens zie je in hoe onzinnig het is om te vechten.

Nu, 25 jaar later, gaat Europa nergens meer heen. De grote Europese projecten vallen in scherven omdat elk land er alleen nog de voordelen van wil, geen nadelen. Die projecten dienden als kompas: ze gaven ons een richting. Nu zijn we dat kompas kwijt. We dobberen doelloos, kibbelend, rond. De Europese president citeert Toynbee: „Civilisations die from suicide, not by murder”. Ietwat grof, beaamt hij, maar „wel passend in deze situatie”. Bevriende buurlanden buiten de EU die ons welgezind waren en een veilige ring rond Europa vormden, exploderen, de een na de ander. Veel puin dondert bij ons naar binnen. Intussen willen Poolse milities in Zweden asielzoekers aftuigen. In Oostenrijk stijgt de wapenverkoop. In Dublin woeden gang wars. Politici krijgen dreigbrieven. Geweld is terug in de Europese samenleving.

In een van zijn essays beantwoordt Robert Musil de vraag waarom Europeanen hebben toegelaten dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak: „Omdat we genoeg hadden van de vrede.” In Musils tijd was de oorlog een alternatief voor stagnatie. De maatschappij ging niet vooruit of achteruit. Het waren gouden dagen voor cynici en hedonisten. Wat mensen misten, was vooruitzicht en het gevoel dat ze politiek en maatschappelijk iets konden veranderen. Ze wilden weer greep op hun leven. Zonder de parallel te overdrijven, kun je zeggen: een dergelijke machteloosheid voelen Europeanen nu ook. Velen willen zich engageren en voelen een verscheurend verlangen om hun energie te stoppen in iets dat vooruitgaat.

Het is belangrijk om hier een politiek antwoord op te vinden. Deze energie zoekt een uitweg. Als er geen positief kanaal voor komt, gaat ze een negatief kanaal in – in politiek nihilisme, knokpartijen en andersoortige hitsigheid. Politici als Wilders of Le Pen mogen zeggen wat ze zeggen. Maar wat zou het fijn zijn als meer mensen er tegenin gingen! Wat zou het fijn zijn als de ministers van de zes landen die in 1957 in Rome het allereerste Europese verdrag tekenden, niet enkel bijeenkomen om de 60-jarige herdenking voor te bereiden, maar ook om Europa, in wat voor vorm dan ook, nieuw elan te geven. Positief elan. Heel Europa snakt ernaar.