Europa begint bij de buren

Lange tijd stond de hoogmoed aan onze kant. Nu lijkt het omgekeerd. Nederland en Vlaanderen: een wisselbad van zelfvertrouwen en onzekerheid, schrijft Paul Scheffer.

Het is allemaal begonnen met Hugo Claus. Ik moet twaalf jaar zijn geweest toen ik met mijn ouders naar Vrijdag ging in Theater aan de Rijn. De volkse zinnen van Claus maakten een overweldigende indruk: „Gij spant in Uw Hemd lijk een lookworst”, zegt Jeanne liefdevol als haar Georges weer thuiskomt na jaren in het gevang. Ik voelde me een voyeur in een milieu dat ik niet kende, met alle opwinding die bij zo'n grensoverschrijding hoort.

De zintuiglijke taal van Claus was een uitnodiging om de wereld in te trekken. Mijn broer en ik leerden hele stukken van dat toneelstuk uit ons hoofd, fragmenten die bij gelegenheid weer boven komen drijven. Luister nog eens naar Georges die tegen de minnaar van zijn vrouw zegt: „Nee, meneer, g’ hebt dat gedaan om mij te affronteren, en dat had ik niet gepeinsd, ik heb nog maar mijn rug gedraaid, en ge trekt mij een kloot af.”

Het cliché wil dat we in Nederland en Vlaanderen de woorden delen, maar elkaar weinig te zeggen hebben. Ik geloof er niets van: we kunnen juist een contrast beleven doordat ons een gemeenschappelijke taal is gegeven. Die toevallige samenloop van omstandigheden is een groot geluk. De vreemdheid die zich in de nabijheid aandient, moeten we beter leren benutten en vooral niet als een mislukking zien.

Mijn denken over veel onderwerpen is in ieder geval sterk beïnvloed door bezoeken, gesprekken en lezingen die steeds talrijker zijn geworden sinds ik in 1993 door Eric Antonis werd uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan de festiviteiten rondom Antwerpen, culturele hoofdstad van Europa. Ik hield daar een veel te lange en ook tamelijk ondoorgrondelijke toespraak over zoiets als ‘democratie en natiestaat’ en struikelde al meteen over de complexiteit van België. Hoezo natiestaat en hoezo democratie? En ik begreep al snel dat Europa bij de buren begint.

Geert van Istendael had gelijk toen hij schreef: L’Europe sera belge ou ne sera pas. Vrij vertaald zegt hij: Europa moet zich ontwikkelen naar het evenbeeld van België als meertalige democratie of het zal mislukken. Dat schreef hij in de jaren dat België nog redelijk goed functioneerde, maar inmiddels zijn we twintig jaar verder en drijven Walen en Vlamingen steeds verder uiteen. Hoe ver kan de eenwording van Europa reiken wanneer het deze buren in één land al zo moeilijk afgaat om tot een vergelijk te komen? Jean-Pierre Rondas concludeert: „België is vandaag blijkbaar een laboratorium voor de verwijdering tussen de volkeren.”

De aanraking met deze Belgische woelingen heeft mijn beeld van Nederland veranderd. Ik zag scherper de leegte van het kosmopolitisme dat in sommige kringen gangbaar is. We projecteren te veel eigen tradities op de buitenwereld en laten daarmee zien dat we minder goed over grenzen heen kunnen reiken dan we geneigd zijn te denken. Juist door in Vlaanderen te verkeren zag ik de beperkingen van mijn eigen land zoveel beter.

Ik ben benieuwd naar wat zich aan de andere kant van de grens afspeelt. Daarom heb ik het idee dat we in een land zonder grenzen zouden leven altijd gewantrouwd. Dat zelfbeeld getuigt van een nogal naar binnen gekeerde houding, want wat valt er dan nog te ontdekken in de buitenwereld? Mijn voorlopige conclusie is dat een waarachtig kosmopolitisme juist niet ligt in de ontkenning van grenzen, maar in de verkenning van die grenzen en in de poging om ze te overschrijden.

De mentale afstand tussen Nederland en Vlaanderen heeft zeker te maken met de verschillende ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. De ‘oercatastrofe’ van de twintigste eeuw ging aan het neutrale Nederland voorbij, terwijl het eveneens neutrale België er ten diepste door werd geraakt. Dat verschil viel me eens te meer op toen ik een aantal keren samen met Stefan Hertmans een publiek gesprek had naar aanleiding van onze boeken die beide het leven van onze grootvaders documenteren. Voor Nederlanders is het vrijwel onbegrijpelijk dat er landen zijn waar die Eerste Wereldoorlog diepere wonden heeft geslagen dan de wereldoorlog die er na kwam.

Wij werden door de strijd in de loopgraven alleen indirect geraakt. „Ik zag gisteren honderden vluchtelingen uit Antwerpen: dat is het meest aangrijpende dat ik tot nog toe in mijn leven heb gezien”, zo vertelt mijn grootvader in een brief aan een Duitse collega-filosoof.

We schrijven 11 november 1914 en de manier waarop deze vluchtelingen in Amsterdam werden opgevangen, behoort niet tot de gebeurtenissen die men zich graag herinnert in de stad die barmhartigheid in haar wapen heeft staan. Zo werden de vele duizenden Belgische vluchtelingen die in de Eerste Wereldoorlog naar de hoofdstad waren getrokken, dermate slecht gehuisvest dat het merendeel al snel een beter heenkomen zocht. De historicus Piet de Rooy constateert droogjes: „Medelijden heeft doorgaans slechts een beperkte houdbaarheid.”

Zo zijn er meer contrasten die het overdenken waard zijn. Ik herinner me nog goed een lezing die ik mocht geven voor de Belgische ambassadeurs. Dat werd een mooi tweetalig gesprek, maar een hooggeplaatste ambtenaar waarmee ik nadien uit eten ging, bleek weinig geloof meer te hechten aan het België dat zijn ministerie van Buitenlandse Zaken toch als geen ander zou moeten vertegenwoordigen in de wereld.

Een grap ging over tafel: België is het enige land ter wereld waar de meerderheid zich aan het afsplitsen is van de minderheid. Onmiddellijk aangevuld met nog een grap: België is het enige land waar twee gemeenschappen zich door elkaar onderdrukt voelen.

Nadat het gelach is verstomd, weet ik zeker dat ik Vlaanderen nodig heb om na te denken over de onderwerpen die me bezighouden, of het nu gaat over de grenzen binnen Europa, of het wel en wee van de multiculturele samenleving of de betekenis van literatuur voor het collectieve geheugen. Gesprekken met onder andere Yves Desmet, Stefan Hertmans, Geert van Istendael, Guy Verhofstadt, Karin Heremans, Dyab Abou Jahjah, David Van Reybrouck, Saïda Sakali en Mark Elchardus hebben me gevormd. Mijn Vlaamse ervaringen spelen een steeds belangrijker rol in mijn werk, en ik denk dat er veel meer mensen zijn voor wie dat geldt.

Vooral de ontvangst van mijn ‘multiculturele drama’ in Vlaanderen heeft me oneindig veel geleerd. Eerst werd die kritiek op de manier waarop we omgaan met immigratie en integratie omarmd door Filip Dewinter. Daarna werd mijn kritische diagnose door de christen-democraten in het parlement aangehaald en vervolgens ontdekt door de Socialistische Partij Anders, SP-A, meer in het bijzonder de Antwerpse afdeling. Tenslotte ontfermde Groen zich over mijn ideeën en was de lange reis van rechts naar links voltooid. Daarna heb ik me nooit meer laten intimideren met het argument dat ‘foute’ mensen zich meester maken van mijn denkbeelden.

Terwijl we in Amsterdam en Rotterdam nog steeds niet toe zijn aan een museum waar de migratiegeschiedenis wordt verbeeld, is het de moeite waard om in Antwerpen het museum te bezoeken van de Red Star Line de plek waar duizenden migranten naar de nieuwe wereld trokken en waar veel verhalen op een mooie manier zijn samengebracht. En zo zijn er veel plekken in Vlaanderen die we moeten leren kennen om onze eigen bevangenheid beter te zien, in dit geval het onvermogen om plekken te creëren waar de migratie zichtbaar wordt gemaakt.

Een gesprek over de grens is lang niet altijd gemakkelijk. Het wisselbad van onzekerheid en zelfvertrouwen belemmert de uitwisseling. Lange tijd stond de hoogmoed aan onze kant: het gidsland hoefde zich niet veel gelegen te laten liggen aan het buurland. Nu lijkt het soms omgekeerd: ik proef het begin van hoogmoed aan Vlaamse zijde, terwijl de onzekerheid in Nederland voor iedereen tastbaar is. Dat is jammer, want wie ziet hoeveel Vlamingen inmiddels een belangrijke rol spelen in ons land, die begrijpt dat met de zelftwijfel ook meer openheid tegenover Vlaanderen is ontstaan.

Misschien begint een andere manier van kijken naar Vlaanderen met de vaststelling dat we elkaar werkelijk nodig hebben in het ruimere verband van Europa. Voorbij de wisselende stemmingen en zelfbeelden zou toch het besef van een gedeelde publieke ruimte kunnen groeien, waarbij inzichten en ervaringen intensiever worden uitgewisseld dan nu het geval is. Dat lukt alleen als we begrijpen dat we over de grens iets wezenlijks aantreffen dat we zelf missen.

In Nederlands geestesmerk (1935) merkt Johan Huizinga op: „Hoe verachtelijk het ook voor ieder, die zich vurig en moedig voelt, moge klinken, als natie en staat zijn wij nu eenmaal in zekere zin satisfait en het is onze nationale plicht het te blijven.” Leg Huizinga’s analyse van ons ‘geestesmerk’ eens naast de wanhopige polemiek van die andere fameuze historicus, Pieter Geyl. Ook hij ontkomt niet aan de vaststelling dat we met ons ‘klein-Nederlandse’ nationaliteitsgevoel tevreden zijn, maar Geyl klaagt over „de algemene houding van de Nederlandse intellectuelen, die zich in hun boven-Moerdijkse nationaliteit àf voelden en niets liever wilden geloven, dan dat de Belgen een even ‘affe’ nationaliteit vormden als zij.”

Dat schreef hij ongeveer een eeuw geleden en inmiddels weten we dat naties nooit ‘af’ maar voortdurend in wording zijn. Toch is het een uitnodigende gedachte dat Nederland en Vlaanderen zonder elkaar ‘onaf’ zijn. Dat bedoel ik niet in een staatkundige zin - fantasieën over een vereniging van het taalgebied zijn niet aan mij besteed - maar veeleer in een culturele zin. We zijn op elkaar aangewezen, niet om een nieuw nationalisme uit te vinden, maar juist om alle nationalisme te temperen in het besef dat er over de grens werkelijk iets te leren valt.

Ik moet eindigen met Elsschot. We citeren eindeloos vaak zijn ‘tussen droom en daad’, maar houden altijd op bij de regel die de kern van dat gedicht vormt, namelijk de strofe waarin Elsschot het heeft over ‘weemoedigheid, die niemand kan verklaren’. Daarom kan het aangeharkte Nederland helemaal niet zonder het wat rommelige Vlaanderen. Terwijl het verval bij ons uit het straatbeeld is verbannen, is bij de zuiderburen dat verval meer zichtbaar in de openbare ruimte.

Zo wordt de maakbaarheid getemperd door de weemoedigheid. En misschien wordt het leven in die contreien daarom wel meer geleefd: in ieder geval bestaat meer begrip voor het verlies dat alle vooruitgang met zich meebrengt.