Een kleine geschiedenis van het F-woord in de krant

Richard Nixon, die kon er ook wat van. Zijn opgenomen Witte Huisgesprekken bulken van de scheldwoorden en schuttingtaal. Die haalden de krant niet, toen de bandjes in 1974 aan het licht kwamen. In de transcripties liet Nixon elke keer goddamn en shit vervangen door „[expletive deleted]”, „scheldwoord weggelaten”. Amerikaanse kranten hielden zich daaraan – al valt de hele tekst inmiddels ongecensureerd na te lezen.

Nixon zou dus geen begaafd twitteraar zijn geweest, ook niet in Katwijk. Hij kwam uit een eerder tijdperk, waarin sociaal onhandige mannen zich nog vooral achter gesloten deuren, of aan de bar met ‘de jongens’, stoerder probeerden voor te doen dan ze waren.

En nu? Een aantal lezers schrijft me afkeurend over schuttingtaal in de krant. Recentelijk als steunbetuiging aan briefschrijver J.P. Collier uit Den Haag, die zich in het Engels afzette tegen het vrijmoedige gebruik van fuck en shit in Nederland – óók in de krant (Hou eens op met fuck, 9 februari). De gevoelswaarde van die woorden in het Engels is veel grover dan Nederlanders beseffen die het als stopwoordje opschrijven. Ook een lezer uit Apeldoorn maakte bezwaar tegen het „ruige taalgebruik” dat volgens hem oprukt in NRC Handelsblad. Laatst nog: de kreet „m’n reet!” in het stuk van een culinair medewerker (Wonderlijke zeebaars, 6 februari). „Behalve dat de inhoud van zijn broek in combinatie met de spijzen al knap onfris aandoet, vind ik het, opnieuw, jammer dat de redactie dit soort plat taalgebruik tolereert.”

Andere lezers stoorden zich aan de kop boven een stuk van Christiaan Weijts over verplichte literatuur (Die boekenlijst is misdadig, fuck de canon (18 januari). Een lezer uit Wolfheze: „Vloeken is beslist niet voor schrijftaal en zeker niet in een kwaliteitskrant. Ik ben heus niet preuts maar waarom moet dit?”

Nu was dat laatste een opiniestuk, geen reguliere berichtgeving. De kop gaf de strekking van het stuk kernachtig weer, het schuttingwoord was bovendien een frappant contrast met het eerbiedwaardige „canon”.

Maar dan nog. Als die eigentijdse Tourette dan niet te vermijden is, waarom dan geen sterretjes, vindt de lezer uit Wolfheze (zo dus: f*ck of f**k).

Toevallig trof ik die vorige week inderdaad aan op de Achterpagina. Boven het ‘ikje’, een anekdote over een roerige klas, stond de kop: K**juf, dat als „aanspreekvorm” ook in de tekst zo terugkeerde (5 februari).

Geen beleid, zegt de redacteur, de schrijver had het zo ingestuurd. Maar ja, die omschreef zichzelf dan ook als een „te softe, onervaren docent Nederlands”.

Eerst dit: rukt de teel- of spierballentaal echt op?

Ja, het is een feit. Varianten van het F-woord heb ik over 2015 gevonden in 130 artikelen in NRC Handelsblad. In 1990 was dat nog maar 22 keer, meestal ging het toen om citaten uit rapmuziek.

De kentering kwam rond de millenniumwisseling (2000: 80 keer, 2001: 82 keer) – de tijd dat een generatie aantrad die zich de wereld van louter Gutenberg niet meer herinnert. Maar ook de tijd dat half Nederland een schandpaal begon op te richten in zijn digitale tuin, voor langslopend politiek correct wild. Het grote deaud-roepen was begonnen.

Niet alleen in deze krant overigens; bij de Volkskrant kwam ik in 2015 op 198 fuck-treffers, aanzienlijk meer, dus deze krant ligt nog lang niet op kop.

Schrale troost: bijna altijd gaat het om citaten, niet om eigen tekst van redacteuren. Citaten van actievoerders bijvoorbeeld, die hun programma samenvatten in, bijvoorbeeld, „fuck de politie”. Al moest dat vorig jaar ook nodig gebeuren met „de politiek”, „de EU”, uiteraard met „USA” maar ook opeens met, nietsvermoedend, „België”.

Ik trof ook allerlei andere, curieuze varianten aan. Monetaire: „fuck you-money”, in de Kousbroek-lezing van schrijver Tommy Wieringa („proleten met een zak fuck you-money”). Of, bijna schattig, een „fuck-upje”. Niet een soort ijsje, maar de aanduiding van een Haags redacteur voor een kleine politieke mislukking.

‘Fuck’ is een cliché geworden, epateren van de burger van eergisteren

Ook deed de Kunstpagina verslag van een „Holy Fuck filmfestival”, en schijnt er een video-installatie te bestaan onder de naam „fuck myself”.

U zegt het, kunstenaar.

Bij dit overzicht dient te worden aangetekend dat 2015 een uitzonderlijk goed fuck-jaar was; in dat jaar speelde de kwestie van een Amsterdamse activist die was gearresteerd wegens de uitroep „fuck de koning”. Dat heeft het aantal vermeldingen flink opgejaagd.

Als koppen kwam ik nog deze tegen: Fuck het volk! (Youp van ’t Hek) , Fuck you (Frits Abrahams) en, langer geleden, Fuck de hemel! Leef nu! (een stuk over een Belgische punkband).

Topscore: het stuk En zijn mama huilde, een boekbespreking uit 2003 (ik beken: toen ik chef was van die bijlage), waarin het F-woord acht keer wordt geciteerd. Dat ging om een gettoroman, waarin nauwelijks een dialoog voorkomt zonder dat woord.

Goed, ‘functioneel’ gebruik heet het dan vroom.

Maar ‘functioneel’ wordt al snel – zie het naakt in de film – een smoesje voor stoer doen, aanstellerij of verbale geilheid. Even laten zien dat je heus wel eens op straat komt, al ben je dan niet van de straat.

In die emancipatie van schuttingtaal spelen twee factoren mee, denk ik: publieke informalisering, of verruwing, en (pseudo-)amerikaniserering.

Luister eens naar de kakofonie van alle nikkelen nelissen online, die met één been in de overtreffende trap zijn blijven steken. Bij elke dreun bulderen hun vreugdekreten over ‘slopen’ en ‘afslachten’ door het digitale stadion: Pechtold sloopt Wilders!, Hans Teeuwen sloopt Peter R. de Vries!, Advocaat Cees H sloopt premier Rutte!, en – heeft hij weer – Samsom sloopt zichzelf!

Of zie hoe sympathisanten soms het gelijk van hun favoriete columnist op Twitter onderstrepen, met één woord: „BAM!!” Soms aangevuld met de goedkeurende, uiteraard Amerikaanse, toelichting: „X (naam van columnist) nails it.”

Waarmee het BAM!! dan, zeg maar, nog even wordt vastgespijkerd. Je suis Luther.

Opinies zijn kortom wapens, opiniemakers zijn gladiatoren en het publiek dat zelf geen helm draagt, heeft nog altijd één doeltreffend wapen paraat: de duim omhoog, of omlaag. Of een middelvinger, natuurlijk.

Daarnaast speelt een rol: de Nederlandse obsessie met Amerika, een land dat we goed denken te kennen en waarvan de populaire cultuur, inclusief de commerciële romantiek van stoere straatcultuur, dominant is. Dat brengt een golf van fuck en shit met zich mee – terwijl Amerikaanse media (de echte, dus) daar nu juist heel preuts in zijn – ook nu nog.

Kortom, het F-woord is een Hollands cliché geworden. Het is epateren van de burger van eergisteren. Cool doen met je leren jasje op de jaarvergadering van registeraccountants. In plaats van aristocratisering van de massa, vulgarisering van de elite.

Moet de krant daarin meegaan? Matigheid is in elk geval geboden, zeg ik met – BAM!! – Aristoteles. Die nailde het al eeuwen geleden. Nee, de krant is geen schutting. Inderdaad: taalgebruik is onderdeel van een maatschappelijke werkelijkheid, en die wordt weerspiegeld in de krant. Dat geldt zeker voor citaten. Als premier Rutte, na zijn journalistendiner met vicepremier Huys, last krijgt van het Nixon-virus, wil ik het graag lezen, en zonder sterretjes. Maar het mag van mij dus wel een stuk minder, zeker in koppen en columns – tenminste, als NRC Handelsblad zich wil blijven onderscheiden van de opgefokte, luidkeelse ***-tijdgeest.