Ons oerbrein is niet aangepast aan de tijd; dát is onze stelling

Met verbazing heb ik kennis genomen van de recensie van ons boek ‘Mismatch: Hoe we dagelijks worden misleid door ons oeroude brein’ (Wetenschapsbijlage, 6-7 februari). Er staan een paar pijnlijke misvattingen in die vragen om een weerwoord. Een vergeeflijke leesfout is dat Ronald Giphart en ik zouden beweren dat apen ‘elkaar hersenloos na-apen’, terwijl we precies het tegenovergestelde schrijven in ons boek, namelijk: ‘mensen zijn super-imitators’ en ‘apen zouden beter moeten leren na-mensen willen ze zo intelligent worden als hun familieleden’ (p. 45). Een heel fundamentele redeneerfout maakt de recensent als hij beweert dat we geen uitspraken kunnen doen over de oersamenleving omdat ‘gedrag niet versteent’. Deze redenering, afkomstig van de slecht geïnformeerde paleontoloog Stephen Jay Gould (1997), getuigt van een gebrekkig inzicht in de moderne evolutionaire gedragswetenschappen.

Dankzij de grote hoeveelheid kennis die in de afgelopen decennia verzameld is door evolutionair antropologen – over hoe huidige jager-verzamelaarsvolkeren ter wereld leven – archeologen, biologen, evolutionair psychologen en neurowetenschappers hebben we een redelijk goed beeld van waar onze voorouders leefden, hoe ze leefden en met wie, in welke groepen, wat ze aten, en aan welke gevaren ze waren blootgesteld.

Dat tijdperk, het Pleistoceen, begon vanaf ongeveer 2,5 miljoen jaar tot de landbouwrevolutie 12.000 jaar geleden en duurde lang genoeg voor de evolutie van complexe, uniek menselijke eigenschappen zoals eetpatronen, taal, handel, cultuur, en religie. Evolutionaire wetenschappers zijn het er over eens dat het unieke mensenbrein vooral in die periode is gevormd, en in de relatief korte periode na de landbouwrevolutie niet noemenswaardig veranderd kan zijn. Ergo: het mensenbrein is een oerbrein.

Dat oerbrein is uitstekend aangepast aan de samenleving van onze verre voorouders, maar maakt niet altijd de juiste keuzes en afwegingen in een moderne maatschappij vol nieuwe gevaren en mogelijkheden. Dat is de centrale stelling van ons boek, waarin we op begrijpelijke manier uiteenzetten hoe het brein is geëvolueerd, hoe onze biologie soms botst met onze cultuur, en hoe mismatch een verklaring kan bieden voor diverse problemen in onze moderne samenleving, van typische welvaartsziekten, tot fobieën, depressies, werkstress en milieuvervuiling. We speculeren, beredeneren en, waar ze beschikbaar zijn, komen we met feiten. In tegenstelling tot wat de recensent schrijft, beweren we echt nergens in ons boek dat we weer naar de oersamenleving terug zouden moeten gaan. Integendeel (zie bijv. p. 39). Dat er in een boek van deze omvang enkele slordigheden zijn ingeslopen is hinderlijk voor de lezer, maar meer ook niet. Het is vooral jammer dat de recensent niet de moeite heeft genomen om boven de clichématige vooroordelen tegen de evolutionaire psychologie uit te stijgen en dit boek een faire kans te geven in het licht van de groeiende kennis uit deze prachtige tak van wetenschap, die de academische wereld aan het veroveren is. Het laatste woord is gelukkig aan de lezers.