Blokkades in de beeldbank

Archieven en musea mogen grote delen van hun collecties nu niet via internet toegankelijk maken. Veel makers van affiches en foto’s moeten toestemming geven, maar blijken onvindbaar. Onderzoekers moeten zo weer naar de leeszaal. Dat remt de regionale geschiedschrijving.

Een kindertekening in een jaarrekening van een waterschap, ca. 1912. Op een dergelijk tekeningetje berust auteursrecht. De maker is waarschijnlijk een in 1906 geboren inwoner van Geldermalsen. Het is aannemelijk dat het ‘werk’ nog niet auteursrechtenvrij is. Het archiefstuk waarin de tekening is gemaakt is wel openbaar.
Een kindertekening in een jaarrekening van een waterschap, ca. 1912. Op een dergelijk tekeningetje berust auteursrecht. De maker is waarschijnlijk een in 1906 geboren inwoner van Geldermalsen. Het is aannemelijk dat het ‘werk’ nog niet auteursrechtenvrij is. Het archiefstuk waarin de tekening is gemaakt is wel openbaar.

Stel, een historicus wil de geschiedenis van circussen in Nederland beschrijven, aan de hand van de talloze affiches die in steden en dorpen werden opgeplakt als een circus er was neergestreken. Gelukkig zitten veel van die circusaffiches in de beeldbanken van regionale archieven, die de historicus online kan doorzoeken.

Maar bij het zoeken gebeurt iets geks. Vanuit de eigen werkkamer zijn de circusaffiches van het Regionaal Archief Rivierenland in Tiel niet te bekijken. Ze zitten wel in de beeldbank, maar ze mogen alleen bestudeerd worden op een terminal in de leeszaal van het archief. Dus moet de onderzoeker toch weer op reis, zoals in de tijd dat documenten voornamelijk van papier waren. Wat voor voordeel biedt dan het digitaliseren van de collectie nog?

Het probleem zit ’m bij de auteursrechten, en veel van de 2.000 erfgoedinstellingen in Nederland worstelen ermee. „We hebben de rechthebbenden van veel affiches niet kunnen traceren, dat wil zeggen: de makers of hun erfgenamen”, zegt Ella Kok-Majewska, directeur van het Tielse archief. Als de meest recente affiches toch via het web toegankelijk gemaakt zouden worden, maakt dit mogelijk inbreuk op het auteursrecht. „Per ongeluk weliswaar”, zegt Kok-Majewska, „maar we kunnen als overheidsinstelling dat risico niet lopen.”

Drie erfgoedinstellingen zijn de afgelopen jaren voor de rechter gesleept in een conflict over auteursrechten. Ze delfden steeds het onderspit. Mede naar aanleiding daarvan heeft de branchevereniging van archieven (BRAIN) onlangs een brandbrief gestuurd naar het ministerie van OCW met het verzoek om een oplossing. De afhandeling van auteursrechten heeft veel erfgoedinstellingen namelijk kopschuw gemaakt bij het online beschikbaar stellen van gedigitaliseerde documenten, beelden en voorwerpen.

De rechtenkwestie is daarmee de zoveelste beer op de weg bij de digitalisering van erfgoed in Nederland. Een jaar of vijf geleden werd de omzetting van documenten in digitale bestanden vooral gekweld door versnippering en verspilling. Heel wat van die problemen zijn opgelost, waardoor enorme digitale bestanden van gedrukte pagina’s – corpora – simpel en snel zijn te doorzoeken (zie kader).

„Doordat die grotere corpora aan het ontstaan zijn, is er voor rechthebbenden meer te halen. En daardoor zijn auteursrechtenkwesties ook veel meer gaan spelen”, zegt Marco de Niet, directeur van de stichting Digitaal Erfgoed Nederland (DEN). DEN helpt Nederlandse erfgoedinstellingen – musea en archieven – bij het digitaliseren van hun collecties. De Niet: „Erfgoedinstellingen willen die auteursrechten heus wel goed regelen, maar in de praktijk is het vaak heel lastig.”

Tot zeventig jaar na de dood

Op elke schepping berust auteursrecht tot zeventig jaar na de dood van de maker. Dat betekent dat gedurende die periode de maker of de erfgenamen toestemming moeten geven voor openbaarmaking – al dan niet in ruil voor een vergoeding. Voor het laten raadplegen van een werk in een leeszaal – op wat heet een ‘dedicated terminal’ – hoeft dat niet. Voor het toegankelijk maken via internet moet dat wel.

„De lange doorwerkingsperiode van het auteursrecht is het grootst knelpunt”, zegt De Niet: „The British Library heeft een paar jaar terug uitgerekend dat het oudste werk in de collectie waarop toen nog auteursrecht zat, een werk uit 1859 was.” Dat betekent dat je voor nogal wat werken ver in de tijd moet terugzoeken naar mogelijke rechthebbenden. „Een klein archief als het onze heeft niet de mankracht om als detectives op zoek te gaan te naar alle rechthebbenden”, zegt Kok-Majewska. Ook het geld is een belemmering. Bij meer dan de helft van de erfgoedinstellingen is het jaarbudget minder dan 300.000 euro.

Waarom kiezen de instellingen er niet net voor om net zoals Google werken tot 1870 toegankelijk te maken? „Omdat dan het hele corrigerende corpus dat na 1870 is verschenen, digitaal niet beschikbaar komt”, zegt De Niet. „Anders gezegd: je kunt de oude bronnen dan niet wegen tegen de latere vooruitgang van de wetenschap en nieuwe inzichten in culturele en maatschappelijk fenomenen.” Elke tijdsgrens is arbitrair, maar zegt De Niet: „Na 1990 is veel digitaal beschikbaar, dus 1990 is een mooie cesuur.”

De cesuur wordt nu vooral bepaald door de vraag of de erfgoedinstelling de rechten heeft kunnen regelen. Zo kunnen op de website van het archief in Tiel regionale kranten als de Tielse Courant ingekeken worden tot 1950. Andere kranten lopen door tot 2008 zoals De Toren. Met de ene uitgever viel wel een overeenkomst te sluiten, met de andere niet.

Maar ook al is er zo’n deal, dan hoeft nog niet alles geregeld te zijn. Dit ontdekte de instelling Erfgoed Leiden en omstreken, die de Leidse Courant had gedigitaliseerd – met toestemming van de uitgever. Freelancers onder wie fotografen spanden een rechtszaak aan, omdat zij ook auteursrecht meenden te hebben, en daarmee recht op een vergoeding. Ze kregen gelijk van de rechter.

In deze zaak traden namens de rechthebbenden auteursrechtenorganisaties op. Nederland telt inmiddels een kleine twintig van deze zogeheten Collectieve beheersorganisaties – ofwel CBO’s – die ervoor moeten zorgen dat bijvoorbeeld fotografen en schrijvers hun auteursgeld krijgen. Op zichzelf is het handig dat erfgoedinstellingen collectieve contracten kunnen afsluiten met CBO’s, zegt De Niet: „Maar ze zorgen ook voor problemen.”

Aparte contracten

Zo moet elke erfgoedinstelling met elke CBO apart een contract afsluiten. In principe geldt zo’n contract ook voor de rechthebbenden die niet zijn aangesloten. Mocht er een niet aangesloten rechthebbende opduiken, dan krijgt deze geld van de CBO. „Maar per contract wordt een plafond afgesproken”, zegt De Niet. Daarboven betaalt de instelling alsnog.

Dat een niet-aangesloten kunstenaar roet in het eten kan gooien, ondervond het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Het IISG had al een collectieve regeling getroffen voor zijn beeldbank en toonde daarvan op zijn website piepkleine foto’s. Deze ‘thumbnails’ waren echter van een niet-aangesloten fotograaf, die bij de rechter bezwaar maakte tegen de publicatie. De rechter gaf hem grotendeels gelijk,

Goedkoop zijn de collectieve regelingen ook niet. Het stadsarchief in Rotterdam moet jaarlijks 10.000 euro voor de beeldbank betalen en vecht dat nog aan bij de rechter. Een veel kleiner archief betaalt alleen al voor zijn krantenbank 2.000 euro per jaar, een kwart van het totale digitaliseringsbudget.

„Alleen grotere erfgoedinstellingen kunnen de rechten afkopen”, zegt De Niet. „De kleinere instellingen kunnen een paar honderd euro contributie voor het museumregister vaak al niet betalen.” Deze (regionale) instellingen maken om die reden pas op de plaats met de digitalisering, constateert De Niet. „De consequentie is dus: uitval in de digitale wereld van kleinere regionale instellingen.”

En dat betekent, volgens Kok-Majewska, „dat in de geschiedschrijving van de twintigste eeuw de couleur locale verdwijnt.” Dat is bijzonder jammer, reageert De Niet: „In de samenleving is nationale canonisering van de geschiedenis een trend. Daarom is het belangrijk dat ook regionale verhalen een plek in de digitale wereld krijgen.”

Een historicus kan natuurlijk nog steeds in de regionale leeszalen alles zien, maar daarop is de academische wereld volgens De Niet steeds minder ingericht: „In mijn studietijd als boekhistoricus kon de reconstructie van het fonds van een uitgever nog een levenswerk zijn. Tegenwoordig wordt verwacht dat je zo’n reconstructie in het eerste jaar van je promotieonderzoek doet – digitaal dus.”

Eigenlijk moet de auteurswet, die nu nog is geënt op het leeszaalprincipe, volgens de erfgoedsector worden aangepast. Maar de kans dat dit snel gebeurt is klein. In een antwoord op de brandbrief liet het ministerie van OCW weten geen mogelijkheid te zien om de sector te helpen.

Veel erfgoedinstellingen lopen nu op eieren. Zo toont het Regionaal Archief Rivierenland geen bouwvergunningen van de afgelopen eeuw, hoewel dit soort documenten van onschatbare waarde is bij de geschiedschrijving van een stad of dorp. Kok-Majewska: „Er rust auteursrecht op de bouwtekeningen, bij de architect. Alleen kunnen we de architect doorgaans niet achterhalen, of is het onbegonnen werk om erfgenamen te traceren.”