Allemaal een keertje kassadienst

Bij de Food Coop in New York mag je alleen boodschappen doen als je lid bent. Leden moeten verplicht meehelpen in de winkel. Zo blijven de prijzen laag.

Foto’s iStock

Park Slope is een van de betere buurten van Brooklyn. Gebouwd op een subtiel afdalende helling naast Prospect Park. Een wijk vol bomen en prachtige brownstones, huizen uit de negentiende eeuw die miljoenen waard zijn. Schrijvers als Paul Auster en Jonathan Safran Foer wonen er, net als acteur Steve Buscemi. De buurt is populair bij yuppen en zo veel jonge gezinnen dat – naast laptops – ook kinderwagens uit koffiezaakjes worden geweerd.

In het hart van deze wijk, op Union Street tussen Avenues fifth en six, zit de Park Slope Food Coop. Een van de grootste, oudste en meest succesvolle coöperatieve supermarkten van Amerika. Een ‘instituut’, noemt Wikipedia het.

Zo’n 16.500 mensen zijn lid van de Coop. Mijn vriend en ik, inwoners van Brooklyn sinds 2014, ook. Net als een groot deel van onze vrienden en onze gepensioneerde huisbaas Carl – een man die tegen het einde van de zomer zijn sandalen met sokken draagt.

De Food Coop werd in 1973 opgericht door hippies die geld wilden besparen op eten – ook toen waren boodschappen in New York bovengemiddeld duur. Ze besloten hun verse waar zelf in te kopen bij lokale boeren en leveranciers. De supermarkt was maar een paar uur per week open, de leden wogen hun eigen krop sla en rekenden op rekenmachines bij de uitgang uit hoeveel geld ze moesten achterlaten. 43 jaar later beslaat het winkeloppervlak drie panden en worden je kassabon en tassen gecheckt bij de uitgang.

Maar één ding is onveranderd: iedereen die boodschappen wil doen bij de Coop, wordt (tegen een inkomensafhankelijke bijdrage) lid en helpt elke vier weken een paar uur mee in de winkel. Zo reed onze huisbaas, Coop-member van het eerste uur, in de jaren zeventig met een stationwagen naar het Meatpacking District in Manhattan om er groente en fruit op te halen. Nu overziet hij de kassaploeg.

Wonderbaarlijk soepel

De Coop draait, op een klein aantal medewerkers na, volledig op haar leden. Zij laden en lossen de vrachtwagens, prijzen en verpakken het voedsel dat in bulk binnenkomt, vullen de vakken, nemen de telefoon op en bezetten de kinderopvang op de eerste verdieping. Ondanks dat iedereen slechts eens in de vier weken werkt, en dus ergens onervaren blijft, loopt de Coop wonderbaarlijk soepel. Al blokkeren de vakkenvullers, vertwijfeld op zoek naar het schap dat moet worden bijgevuld, altijd alle gangpaden. Maar dat neemt men op de koop toe want doordat iedereen er werkt, is het assortiment van de Food Coop tot zo’n 40 procent goedkoper dan in de gemiddelde supermarkt in New York.

Mijn vriend en ik draaien elke vier weken op woensdagmiddag kassadienst. Hij van half 1 tot 3, ik van half 3 tot 5. Missen we één shift, dan moeten we die zo snel mogelijk inhalen. Missen we twee shifts, dan staan we op non-actief en mag er tijdelijk niet meer worden gewinkeld, aldus één van de dertien Do’s and Don’ts die aan de muur bij de ingang hangen. Geld betalen in ruil voor een dienst werkt niet, in tegenstelling tot veel vergelijkbare initiatieven in de rest van de stad. En wie zijn werkuren laat doen door een níet in het huishouden wonende nanny – iets dat volgens de geruchten in de wijk vaak wordt geprobeerd – en wordt gesnapt, kan rekenen op schorsing.

Deze strengheid heeft de Coop, wereldberoemd in New York, flink wat hoon opgeleverd. Met name van oud-leden die hun diensten niet bijhielden en zonder pardon werden weggestuurd. Mijn vriend is ooit op een borrel in de Lower East Side voor gek uitgemaakt omdat we Coop-leden zijn. Een sekte noemde de jonge ondernemer en voormalig lid het. En in een van de vele krantenartikelen die zijn verschenen over de Coop, wordt de vergelijking getrokken met een socialistisch land „alleen dan erger, want in een socialistisch land kun je, als je de juiste mensen kent, er tenminste nog onderuit komen”.

Waarom we onszelf dit aandoen? Vanwege de prijzen. Daarnaast is de selectie kazen fantastisch en ook nog betaalbaar – een unicum in New York. Maar het belangrijkst is dat de Coop prat gaat op goed en eerlijk voedsel. Het vlees is biologisch. De groente- en fruitcollectie is strikt seizoensgebonden. En als een appel, wegens slechte oogst in de regio, uit Mexico is geïmporteerd (en dus milieu vervuilende vlieguren heeft gemaakt), wordt dat erbij vermeld. Een bakje aardbeien kost daarom nu 8 dollar.

Boycot van producten

Ook is de Coop sociaal bewust. Sinds 2004 worden, na een stemming tijdens een ledenvergadering, alle Coca-Cola-producten geboycot uit protest tegen de slechte werkomstandigheden bij het bedrijf. Toen Apartheid nog heerste, werd er niets uit Zuid-Afrika verkocht. En al jaren woedt er een hevige discussie over een voorgestelde boycot van producten uit de bezette Palestijnse gebieden (ook binnen de Coop een heikel en niet op te lossen vraagstuk). Daarnaast is er een lobby gaande om zo min mogelijk plastic in de winkel te gebruiken. Een verademing in een land waar de kippen met chloor worden gewassen en zelfs je tube tandpasta bij de drogist nog in twee plastictasjes wordt ingepakt, uit angst voor scheuren.

Stiekem is het heerlijk om eens in de vier weken mijn computer in te ruilen voor een kassa. Héél Brooklyn trekt aan mijn terminal voorbij, mensen die ik normaal enkel zou passeren op straat. En als ik per ongeluk een komkommer twee keer aansla en ben vergeten hoe ik die fout ongedaan maak, vindt niemand dat erg. Want eens in de vier weken zitten we allemaal achter die kassa.