‘Ze zouden ze allemaal moeten affakkelen’

Meer dan 900 gevallen van brandstichting en vandalisme in vluchtelingenverblijven telde Duitsland vorig jaar. Dennis (31) en Sascha (25) gooiden een molotovcocktail. Waarom eigenlijk?

Sascha D. donderdag in de rechtbank in Hanover. De 25-jarige stond terecht voor poging tot moord op vluchtelingen in het Nedersaksische Salzhemmendorf.
Sascha D. donderdag in de rechtbank in Hanover. De 25-jarige stond terecht voor poging tot moord op vluchtelingen in het Nedersaksische Salzhemmendorf.

Het duurt meer dan dertig seconden voordat Florian antwoord geeft. Hij is zestien jaar, mager, en zit achter de getuigentafel in het proces wegens een aanslag op een opvangcentrum voor vluchtelingen. Hij had het met een van de drie verdachten, Dennis L., gehad over de groep vluchtelingen die in hun dorp was gekomen. Wat te doen? Mensen werden bang. Dan vertelt Florian wat Dennis tegen hem zei: „Ik wil ze zien branden.”

Er gaat een rilling door de rechtszaal in Hannover. De 31-jarige handwerker, werkzaam bij een bouwbedrijf, had al toegegeven dat hij een molotovcocktail had gegooid: een fles met zaagsel, benzine en stookolie. Maar dat is in een opwelling gebeurd, liet hij zijn advocaat woensdag zeggen. In een vlaag van dronkenschap, door te veel bier en met Springer Urvater, een populaire brandewijn, versterkte cola. 

Het is het eerste grote proces in wat een steeds groter probleem wordt: de aanslagen op onderkomens van vluchtelingen. Vorig jaar waren dat er volgens politiecijfers 924, tegen 199 in 2014. Het gaat daarbij om brandstichting (95 keer), vernieling, en graffiti met nazisymbolen of racistische slogans. In de eerste vijf weken van dit jaar zijn er al zeven gevallen van brandstichting geweest.

Gealarmeerd zei de politiechef van Leipzig begin deze maand dat in Duitsland „een pogromstemming” heerst. Gewelddadige stemmingmakers „benutten bewust de angst van mensen om de hysterie tegen het asielbeleid aan te wakkeren en geweld tegen vluchtelingen te rechtvaardigen.”

Een van de aanslagen van vorig jaar was op 28 augustus. In een appartementengebouw in Salzhemmendorf, in Nedersaksen, vliegt rond twee uur ’s nachts een brandbom naar binnen in een kamertje waar normaal een kind van elf slaapt. Er breekt meteen brand uit, maar als door een toeval vallen er geen gewonden: de jongen sliep die nacht in een andere kamer, bij zijn moeder, een vrouw uit Zimbabwe die sinds twee jaar in Duitsland woont.

In tegenstelling tot de meeste andere aanslagen zijn hier de daders snel gevonden. Dennis L. en zijn vriend Sascha D. (25) wordt poging tot moord ten laste gelegd. Schijnbaar onbewogen zitten ze in de rechtszaal, een meter uit elkaar. Dennis in wit overhemd, donkere kringen om de ogen. Sascha in het donkerblauw, klein baardje, spits gezicht, spiedend om zich heen kijkend – hij is lid van de vrijwillige brandweer en had nog mee helpen blussen. Naast hem in de beklaagdenbank zit Saskia B.: 24 jaar, paarse blouse, neerhangende mondhoeken en trieste ogen die om de paar minuten steun zoeken bij familie in de zaal. Zij heeft ’s nachts het zwaar beschonken tweetal met de auto naar het gebouw aan de Hauptstraße gebracht, waar op dat moment 29 vluchtelingen en 11 andere mensen woonden.

De openbaar aanklagers proberen te bewijzen dat Dennis en zijn vrienden bewust mensen de dood in wilden jagen, en dat ze dat deden uit extreem-rechtse, racistische motieven. De eerste twee getuigen donderdag leveren niet veel munitie op. Een goede vriend van Dennis op het werk, een 38-jarige halve Armeen, prijst diens hulpvaardigheid en vertelt dat ze vaak samen gingen vissen. Racistische taal had hij nooit gehoord. „Anders zou ik, met mijn afkomst, de eerste zijn geweest die zou zijn weggegaan.” Hij vertelt wel, net als zijn baas later, dat Dennis de dag na de aanslag met een enorme kater op het werk verscheen.

Als Florian wordt binnengeroepen, kantelt het beeld. De jongen geeft toe dat hij het een half jaar voor de aanslag met Dennis over Hitler had gehad. Die had wel een oplossing geweten voor al die vluchtelingen. Wat dan, vraagt de rechter. „Iedereen het land uit jagen.” Als de rechter doorvraagt over Hitler en wil weten of Florian van Zyklon B heeft gehoord, antwoordt die ontkennend.

Daarna vraagt de rechter hem naar het poppetje met een hakenkruis dat hij van internet had gekopieerd en naar Dennis had gestuurd op zijn telefoon. En naar wat Florian tikte in een berichtje twee dagen voor de aanslag: „Ze zouden ze allemaal moeten affakkelen.” De zestienjarige wekt de indruk dat het allemaal stoerdoenerij is van een puber. Dennis had daar zeker oren naar, suggereert hij. Maar hij had het niet aangewakkerd.

Het beeld dat zo in dit proces ontstaat, bevestigt de indruk dat het bij de aanslagen op vluchtelingen niet alleen meer gaat om georganiseerde acties van extreem-rechtse organisaties. Mensen die te boek staan als normale burgers die hooguit een paar glazen te veel drinken, blijken via chatgroepen op WhatsApp en sociale media als Facebook ook in een andere omgeving te leven.

Duitsland lijdt nog steeds relatief vaak onder geweld van politieke extremisten. Maar conflictonderzoeker Beate Küpper uit Mönchengladbach had al gewaarschuwd, in der Spiegel: „Het goedpraten van geweld tegen vluchtelingen stijgt niet alleen onder extreem-rechts, maar ook onder de normale bevolking.”