Wie is wie aan de muur

In het tijdelijke Europagebouw vergaderen de ambtenaren in aanwezigheid van Beatrix, Drs. P., Van Gogh en Jacoba van Beieren. Die hangen daar namelijk aan de muur. Dat is het werk van Philippien Noordam (ministerie van Buitenlandse Zaken) en Lotti Pronk (Dutch National Portret Gallery), verantwoordelijk voor de kunst in het gebouw.

Dat het portretten moesten worden, was snel beslist. Europa gaat over mensen. De figuren aan de muren zijn opgedeeld in series. Nederlandse wetenschappers, kunstenaars, sporters, staatshoofden. Er hangt ook werk van beroemde Nederlandse fotografen.

Noordam en Pronk hadden slechts acht weken. Ja, dat was stressen: alles moest nog worden bedacht. Wie er zouden komen te hangen, en door wie gemaakt. Waar en hoe, zowel esthetisch als technisch gezien. Er moest contact komen met de fotografen, archieven moesten snel leveren. In hoge resolutie, want de beelden moesten uitvergroot en gereproduceerd.

Nederland heeft eigenlijk geen portrettentraditie. Mensen vinden zoiets maar intimiderend, tenzij het familie is. Noordam heeft het weleens meegemaakt: hang je een mooi portret op, vraagt iedereen, is dat je moeder?

Maar zo veel portretten bij elkaar, dat geeft een idee van „het portret als kunstvorm”, stelt ze tevreden vast, al wandelend door het gebouw. In de lunchruimte hangen Nederlandse koks met kookgerei: de gebroeders Schmidt, Joop Braakhekke. In de centrale hal een serie van Koos Breukel van nog levende Nederlandse premiers. Ongepolijste beelden, waarop rimpels en rouwranden zijn te tellen. De Nederlandse eurocommissarissen hangen er ook, min Timmermans, die door de vluchtelingencrisis en Parijs nog geen tijd voor een foto had.

Wat leuk is, vinden Noordam en Pronk: mensen reageren op mensen, ook al hangen ze stil aan de muur. Wie is wie, raadden de schoonmakers en beveiligers toen de bordjes er nog niet bij hingen. Hier wordt iemand gemist, zeiden de Defensiemensen – want die zitten goed in hun staatshoofden. Ambtenaren beloven hardop hun historische kennis bij te spijkeren.

Toen ze het gebouw inrichtten, liepen Noordam en Pronk wel 4 kilometer per dag, door alle zestien zalen, de prints en een vol gekrabbelde plattegrond in de hand. Nu alles naar tevredenheid hangt worden ze weleens verrast. Zit er opeens een extra deur in de Erwin Olaf-zaal, en is daarvoor een van zijn portretten verwijderd. Schommelt de temperatuur zo erg dat de speciale lijm loslaat – die werkt pas vanaf 8 graden. Moeten er weer spijkers in ter ondersteuning. Worden de watermachines omgebouwd, waardoor ze vóór een paar portretten zijn komen te staan. Maar ach, relativeert Noordam. Zo doet iedereen z’n werk.