Te snelle focus op beroepskeuze helpt sociale stijging om zeep

Handig toch, zo’n tijdige beroepskeuze die past in de regio? Nee, vindt docente Nederlands Michelle van Dijk. Zij roept de gemeente op de eenzijdige havenretoriek te laten varen.

‘Kies techniek, dan ga je het helemaal maken’, zo luidde de slogan in 1992. We bezochten met groep 8 een metaalbedrijf met indrukwekkend grote buizen, radars en machines. Vijf van de acht jongens in de klas kozen dankzij de flitsende campagne voor het technische vmbo. Toch werkt geen van hen in zo’n fabriek. Rotterdam probeert nu ook sturend te zijn in beroepskeuze en dat is niet wat we in het onderwijs nodig hebben.

Wethouder Hugo de Jonge zei het vorige week in NRC: leerlingen maken vaak een onoverwogen beroepskeuze en daarom zou er al op de basisschool meer aandacht moeten zijn voor loopbaanoriëntatie. In gemeentelijk onderwijsplan ‘Leren loont’ staat ook dat bedrijfsleven en onderwijs op regionaal niveau het opleidingsaanbod zullen afstemmen. De gemeente regelt stageplaatsen en de nadruk ligt op regiokanjers techniek en haven.

Handig toch, een tijdige beroepskeuze die past in de regio. Maar bedenk eens: wat wilde je worden toen je twaalf was, wat ben je nu? En, wie volgde zijn kinderdroom? Wie weet als twaalfjarige dat je in de fabriek altijd ploegendiensten draait? Een careermove is niet ongebruikelijk, maar als op jonge leeftijd te zeer op één beroep wordt aangestuurd, sluit je andere mogelijkheden uit.

Wie zegt dat de terugval in de techniek van de afgelopen jaren zich niet herhaalt? Ik kende iemand die altijd zei: ‘Word bakker of leraar, dan heb je altijd werk.’ Ja, totdat iedereen ontbijt met fruit en havermout. En moet een jongere in Groningen ook altijd maar boer worden? Zulke gemeentelijke beroepspropaganda helpt de arbeidsmobiliteit en sociale stijging juist om zeep.

Door de beroepsfocus is de weg naar een hoger eindniveau steeds moeilijker. Het gevolg is namelijk altijd minder aandacht voor de algemeen vormende vakken die bij havo, vwo en hbo zo belangrijk zijn. Een mbo-student heeft één uur Engels in de week van een (hopelijk bevoegde tweedegraads) docent Engels die soms wel 25 andere klassen heeft. Vergelijk dit met de havoleerling die in z’n laatste twee jaren meestal drie uur per week les krijgt van een eerstegraads docent. Hoeveel kansen geef je die mbo’er op het hbo?

Het landelijke plan Onderwijs 2032 legt juist de nadruk op persoonlijke ontwikkeling en een vaste basis van kennis en vaardigheden. Naar mijn idee laat Rotterdam zich in de gemeentelijke plannen teveel door werkgevers beïnvloeden. Laat scholen zich onderscheiden in accenten op profielen of vakken, al dan niet in samenwerking met werkgevers. De overheid moet vooral kwalitatief goed onderwijs mogelijk maken.

En dat bereik je niet met een lerarenbonus voor startende docenten in tekortvakken, zoals het plan in Rotterdam luidt. Net als in de techniek is dit een aantrekkelijke keuze bij de start, maar wat gebeurt er op de lange termijn, als er geen bonussen zijn, als er een crisis is, als je beroep burn-outgevoelig blijkt? Dan zegt De Jonge dat je een onoverwogen keuze hebt gemaakt. Toch is de oplossing niet heel moeilijk: geef niet alleen de starters, maar alle ‘Helden van het onderwijs’ de tijd en ruimte om hun werk goed te doen en laat daarbij die havenretoriek varen.