Oorlog verzachtte gevangenisregime

Het personeel in de overvolle Nederlandse gevangenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog hielp vaak gevangen verzetsstrijders.

Ralf Futselaar: „De NSB’ers onder het gevangenispersoneel gedroegen zich doorgaans fatsoenlijk.”
Ralf Futselaar: „De NSB’ers onder het gevangenispersoneel gedroegen zich doorgaans fatsoenlijk.” Foto Roger Cremers

In de Nederlandse gevangenissen zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog niet langer alleen maar criminelen, maar ook politieke gevangenen en joden. Door de overbevolking moest de tot dan toe gebruikelijke eenzame opsluiting noodgedwongen worden afgeschaft. Intussen pleegde het gevangenispersoneel op grote schaal klein verzet. In het pand van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam vertelt historicus Ralf Futselaar over zijn onlangs verschenen boek Gevangenissen in Oorlogstijd.

Was u verbaasd dat gevangenissen haarden van verzet blijken te zijn geweest?

„Ja, vooral dat er over de héle linie in de circa dertig penitentiaire instellingen in Nederland verzet is gepleegd. Terwijl die instellingen onderling hooguit op directieniveau met elkaar in verbinding stonden en het personeel zeker niet uit activisten bestond. Vaak waren het mensen die door ziekte of een ongeluk waren afgekeurd en ‘dan maar’ gevangenbewaarder waren geworden. Ze hadden ook allemaal een Ariërverklaring ondertekend. Ik vind het heel opvallend dat er na de oorlog geen enkele gevangenismedewerker is aangepakt voor slechte behandeling of verraad van politieke gevangenen. Als mensen berispt of ontslagen werden, was dat doorgaans wegens lidmaatschap van een duitsgezinde organisatie.”

Om wat voor verzet ging het?

„Het betrof vooral hulp aan politieke gevangenen: verzetsmensen, joden, communisten. Die kregen wat meer vrijheid dan de gewone gevangenen, wat meer eten, wat meer sigaretten. Daarnaast vond er ook echt verzetswerk plaats: er werden ontmoetingen tussen verzetsmensen geregeld, berichten doorgegeven.”

Hoe verklaart u dit verzet?

„De gevangenissen waren relatief gesloten werelden met weinig ‘pottenkijkers’. Bovendien werd het personeel heel direct geconfronteerd met verzetsmensen, al duurde het contact meestal maar kort, omdat de Duitsers de verzetslieden doorstuurden naar kampen, fusilleerden of vrijlieten. Door dat contact werden gevangenbewaarders gedwongen om na te denken over hun eigen voorkeuren en daden.”

Toch moeten er onder het gevangenispersoneel ook ‘foute’ mensen hebben gezeten.

„Zeker. Maar ook de NSB’ers onder het gevangenispersoneel gedroegen zich doorgaans fatsoenlijk. De directeur van de Groningse gevangenis bijvoorbeeld was NSB’er. Toch zijn er 26 gevallen bekend waarin hij verzetslieden heeft beschermd of gered. Hij is na de oorlog dan ook niet vervolgd wegens zijn lidmaatschap van de NSB. De kok van de gevangenis in Arnhem was ook lid van de NSB en bovendien getrouwd met een Duitse vrouw. Hij wist van het kleine verzet in zijn werkomgeving, maar heeft altijd gezwegen.”

De gevangenissen raakten overbevolkt in de oorlog. Hoe kwam dat?

„Dat kwam vooral door de stijgende criminaliteit. De tekorten aan allerlei goederen werkten diefstal in de hand en de alomtegenwoordige zwarte handel maakte heling makkelijk. Daar kwam bij dat rijkscommissaris Seyss-Inquart voorwaardelijke straffen had afgeschaft en dat een deel van de celcapaciteit was gevorderd voor Wehrmacht-soldaten die zich misdroegen. Tussen 1939 en 1941 verdubbelde het aantal gevangenen in Nederland.”

De oorlog heeft de hervorming van het gevangeniswezen versneld, schrijft u.

„Al in de jaren twintig en dertig ontstond enorme weerstand tegen de toen gebruikelijke eenzame opsluiting van gevangenen. Ze hadden geen enkel contact met medegevangenen. Zelfs als ze werden verplaatst binnen de gevangenis droegen ze een kap over hun hoofd. Dat totale isolement leidde nogal eens tot gekte en niet tot de gewenste resocialisatie. In de oorlog kwamen er zoveel gevangenen bij dat eenzame opsluiting niet meer haalbaar was. De meermanscel werd ingevoerd. Dat het de elite is geweest, de politieke gevangenen, die tijdens de oorlog tot het inzicht zijn gekomen dat het gevangenissysteem anders moest, is een mythe. Dat vonden ze voor de oorlog al. Hun oorlogservaring gaf wel meer gewicht aan hun standpunten.”

In de ogen van de Duitsers waren de Nederlandse gevangenissen softe instellingen. In Duitsland ging het er veel harder aan toe en was mishandeling of overlijden van gevangenen geen uitzondering. Waarom hebben de Duitsers zich niet met het Nederlandse gevangeniswezen bemoeid?

„Omdat de Duitsers afhankelijk waren van de Nederlandse celcapaciteit. Rauter, de hoogste politiebaas in Nederland, had wel graag eigen gevangenissen gehad, met een Duits regime, maar de bouw daarvan kostte te veel tijd en geld. Dus lieten de Duitsers het er bij zitten. Ze hadden belangrijker dingen aan hun hoofd.”

U hebt al heel wat heftige onderwerpen onderzocht: dwangarbeid, kindersterfte, oorlogstrauma’s en het nieuwe NIOD-onderzoek naar Srebrenica. Daar word je niet vrolijk van, lijkt me.

„Inderdaad houdt bijna al mijn onderzoek verband met geweld en de sociaal-economische gevolgen daarvan. Daarover lees ik heel vervelende dingen, maar ik geloof niet dat ik daar depressief van word. Anders zou ik het onderzoek niet goed kunnen doen. Maar dat betekent niet dat ik laconiek sta tegenover volkerenmoord, honger of geweld.”

Vanwaar die interesse in akelige onderwerpen?

„Ik ben een generalist, vind veel onderwerpen interessant. Maar omdat ik in opdracht werk en die opdrachten meestal verband houden met dramatische gebeurtenissen, is ellende vaak mijn onderzoeksgebied. Ik ben bij het NIOD terechtgekomen omdat ik er promotieonderzoek kon doen naar het verschil in kindersterfte tijdens WOII in Denemarken en Nederland. Ik wijt dat aan het voedsel: Nederlanders aten veel groente in de oorlog omdat veel veevoer moest worden geïmporteerd en die import stokte. Heel gezond, groente, maar het leidde bij kinderen wel tot een tekort aan micronutriënten zoals zink en ijzer. Daardoor overleden hier meer kinderen dan in Denemarken, waar vlees en boter beschikbaar bleven.”

U hebt ook enkele jaren onderzoek gedaan in Japan.

„In 2007 ben ik op uitnodiging van een universiteit naar Japan gegaan waar ik onderzoek heb gedaan naar tuberculose in de 20ste eeuw. Ik ontmoette er mijn Japanse echtgenote. Net op het moment dat zij aangaf dat ze graag in Nederland wilde wonen, kreeg ik van het NIOD de vraag of ik het onderzoek naar gevangenissen in oorlogstijd wilde voltooien. Dus heb ik ‘ja’ gezegd.”