Nieuw werk Larcher is grandioos en eclectisch

Waarom zou je in godsnaam een windmachine gebruiken als je zo goed kan componeren als de Oostenrijker Thomas Larcher (1963)? De wereldpremière van zijn Ouroboros voor cello en kamerorkest begon met een stormpje dat opstak in de coulissen. Die windvlaag keerde terug aan het slot – de ouroboros is een slang die in zijn eigen staart bijt. Maar afgezien van dat gedateerde en afleidende effect was het een grandioos stuk.

Larcher putte uit vele vaatjes. De opening met ijle flageoletten en klankkastgeklop riep de naoorlogse avant-garde in herinnering. Het sonore cellothema had wel iets van Sjostakovitsj. Er klonken schrille Psycho-strijkers en nadrukkelijk rituele gongslagen. In een onherbergzaam klanklandschap brak opeens de zon door, in de vorm van een stralende tonaliteit die deed denken aan de spirituele minimalist Arvo Pärt.

En dat was nog maar het eerste deel. Het knappe van Larcher was dat hij die etiketten en de verrassing van het eclecticisme moeiteloos oversteeg met een betoog dat van begin tot eind bleef boeien. Het was weerbarstige en toch toegankelijke muziek, die door de musici met zichtbaar plezier werd gespeeld. Kenmerkend waren de hoekige ritmische motieven die Larcher bloksgewijs achter elkaar plaatste: zijn slang had kubistische trekken.

De partij van cellist Jean-Guihen Queyras was zo geïntegreerd in het weefsel dat je nauwelijks van een solist kon spreken. De kracht van Ouroboros stak ook in die integratie; Larcher liet het fijnbesnaarde Amsterdam Sinfonietta schitteren, het samenspel greep als een uurwerk in elkaar. Waar Queyras zich wel even moest doen gelden waren zijn toon en beheersing indrukwekkend.

Verrassend was de Nederlandse première van het Konzert für Streicher (1947-49) van de bijna 90-jarige Friedrich Cerha, vooral bekend als degene die Bergs opera Lulu voltooide: neoklassiek expressionisme.