Iedereen is lief in Chili, ook voor de tuinkabouters

Tosca Niterink en haar dans- en wandelpartner Anita Janssen wandelen in Patagonië. Ze doen op de Achterpagina wekelijks verslag.

Er hing meteen zo’n meisje om de tent, dat alleen maar „Tia Tia” kon roepen.
Er hing meteen zo’n meisje om de tent, dat alleen maar „Tia Tia” kon roepen. Foto Anita Janssen

Patagonië is prachtig, met besneeuwde vulkanen, binnenzeeën waar gigantische cruiseschepen op varen en natuurlijk pinguïns. Niet van hout met een rood dasje om, maar echt: ze bewegen zelfstandig op die kleine waggelvoetjes, zonder sleutel in de rug.

„Zo stel ik me IJsland voor”, zei Annie gisteren, toen we Ancud binnenhobbelden met de bus. Ze is nog nooit in IJsland geweest, daarom. Het stadje in Zuid-Chili is een fjordachtige enscenering: een haventje met vissersbootjes en tegen de heuvels huisjes opgetrokken uit een soort houten dakpannen, als schubben. „We zijn in kutschubbemerveen”, vond Annie. Zij weet de dingen altijd raak te duiden.

We moeten wel eens lachen als mensen schrijven: „O, zitten jullie in Chili, wat stoer!” Want het leven is hier zo gezapig. Mensen zijn zo lief en onbedorven (net als het landschap) dat wij ons wel eens schamen met onze plompe manieren, hoe we iedereen omver duwen als we de bus instappen et cetera.

Ze zijn hier zelfs goed voor dieren, hoewel ze kilometers speklappen barbecuen. Het kan niet op met de vleesconsumptie. Maar wel lief. Want alles is lief in Chili. Ze zijn zelfs lief voor tuinkabouters. Die hoeven niet, zoals bij ons, buiten staan verkommeren in weer en wind. In Chili staat de kabouter binnen op de vensterbank. Hoe vind je dat? Kunnen wij nog wat van leren!

Ze hebben hier trouwens bushaltes midden op de snelweg. Daarna moet je maar verder liften, met de nationale backpackende jongelui. Gelukkig werden we meteen in hun midden geaccepteerd, omdat we uit Amsterdam komen. „Aha! Coffeeshops!” In Argentinië zeggen ze: „Aha, Màxima.”

„Yes”, zeggen wij, trots rookbewegingen makend alsof we thuis de hele dag liggen te hallucineren onderaan de trap. Dat willen zij ook wel, want Chili is zo gewoon en zo keurig in hun ogen. Ik vond het eerlijk gezegd ook wel een verademing, toen ik gisternacht in de havenstad Puerto Montt tegen een dronken matroos aanbotste met aan elke arme een transseksuele hoer.

Afgelopen week zijn we ook een paar dagen op Isla Huapi geweest, waar de inheemse Mapuche-indianen nog op eenvoudige wijze leven, aldus de man van de bus. Inderdaad: paardekarren, ouwe wijven in schorten, inteelt, je kent het wel. En geen hostel. Ik hoopte dat Annie die kleine rottent onderin mijn tas al vergeten was en dat we de eerste de beste boot terug naar de beschaving zouden nemen.

„We kunnen hier wel lekker een paar daagjes kamperen”, opperde zij, en je wil zo’n meid toch ook niet teleurstellen. Er hing meteen zo’n meisje om de tent, dat alleen maar „Tia Tia” kon roepen en stukken plastic op kon blazen. Verder was het natuurlijk wonderschoon daar, als je een beetje indaalt.

Als alles zo perfect is, komt er altijd een zielige hond aanlopen die niet meer weg wil. In dit geval waren het er drie, ze liepen ons de hele dag achterna en omdat ze zo mager waren en we geen vlees eten, bakten we eieren voor ze met brood. Dat hebben we geweten, ze sliepen namelijk bij ons in de tent. Niet dat wij dat zo fijn vonden, maar ze wilden er niet uit. Ze hebben Annie zelfs gebeten toen ze het probeerde.

We hadden helemaal geen ruimte meer en konden niet slapen van hun gesnurk en toen gingen ze ook nog eens scheten liggen laten van die gebakken eieren voor de enige nooduitgang.