Deze Bosch is helaas geen Bosch

Het Rijksmuseum bezit geen werk van Bosch. Daarom kocht het museum acht werken van Bosch, dacht het museum. Het bleken allemaal knappe kopieën.

‘Waar hangen de schilderijen van Jheronimus Bosch?’ Regelmatig moeten suppoosten van het Rijksmuseum Amsterdam bezoekers naar Rotterdam verwijzen. Het grootste museum van Nederland bezit geen werk van Bosch. Zoals het ook geen Pieter Bruegel de Oude of Jan van Eyck heeft – voor de grootmeesters van de vroege Noord- en Zuid-Nederlandse schilderkunst moeten liefhebbers naar Museum Boijmans.

Niet dat het Rijksmuseum geen pogingen heeft gedaan om de lacune-Bosch in de collectie te dichten. Het heeft acht schilderijen verworven die ooit als een Bosch te boek stonden. Maar alle bleken later hooguit van navolgers.

Het verlangen naar een echte Bosch aan de muur van het Rijksmuseum werd in de jaren 20 zo groot, dat het kritisch vermogen eronder ging lijden. De verantwoordelijken gingen waarschijnlijk zien wat ze graag wilden zien, zegt Matthias Ubl, de huidige conservator Vroege Nederlandse en Duitse schilderkunst. Met smaak vertelt hij over de laatste en meest spectaculaire poging van het Rijksmuseum om een Bosch te verwerven. We schrijven 1930. De toenmalige directeur, Frederik Schmidt-Degener, had een Bosch bovenaan zijn wensenlijst staan. Drie jaar lang was dat gemis vervuld door een bruikleen van het Louvre. In de gapende leegte die ontstond toen Het narrenschip terug was naar Parijs, bood een Nederlandse handelaar het Rijksmuseum een ander paneel van Bosch aan: De gevangenneming van Christus.

80.000 gulden voor een paneel

Omdat het niet te boek stond als een erkende Jheronimus Bosch, raadpleegde het museum Max J. Friedländer, auteur van vele studies over de vroege Nederlandse schilderkunst. Toen deze eminente Duitse kunsthistoricus de toeschrijving ondersteunde, besloot Schmidt het Christus-paneel aan te kopen. De kosten: 80.000 gulden, geen kinderachtig bedrag in de jaren van de Grote Depressie.

Maar toch aanzienlijk minder dan wat Boijmans een jaar later betaalde voor De Marskramer van Bosch. Met steun van particulieren moest het Rotterdamse museum 262.000 gulden overmaken aan kunsthandelaar Jacques Goudstikker, die het in Berlijn op een veiling had gekocht.

Ernst Heldring, de toenmalige voorzitter van de Vereniging Rembrandt, dat aan beide aankopen flink had bijgedragen, had zo zijn gedachten over beide schilderijen. In zijn later gepubliceerde dagboek noteerde Heldring destijds: „Het verschil is dat tussen een meesterwerk en een prul.”

Het prul hing in het Rijksmuseum. Direct na de aankoop verschenen de eerste kritische publicaties over De gevangenneming van Christus: was dit een echte Bosch? Friedländer betuigde al snel spijt over zijn toeschrijving. Bij nader inzien sprak hij van een „kopie naar Bosch”.

Musea maken vergissingen

Na de oorlog zou de dubieuze aankoop nimmer meer op zaal hangen. Tegenwoordig is het uitgeleend aan het Noordbrabants Museum in Den Bosch, net als een paar andere Bosch-kopieën van het Rijks.

Conservator Matthias Ubl neemt het op voor zijn vroegere collega’s. Alle musea hebben zulke vergissingen gemaakt, zegt hij. De kennis over vroege Nederlandse schilderkunst haalde het lange tijd niet bij die over de Gouden Eeuw. Wie belangstelling had voor Bosch, Bruegel en andere vroege Nederlandse schilders moest naar Madrid, Wenen, Brussel, Londen en musea in Duitsland. In zekere zin was het in 1885 geopende Rijksmuseum mede bedoeld om die tekortkoming op te heffen en een collectie op te bouwen.

Er is nóg een reden om clementie te hebben met vroegere kunsthistorici, zegt Ubl. Hij kan zijn betoog op zijn computer steeds in een handomdraai illustreren met afbeeldingen van schilderijen uit de databanken van musea over de hele wereld. Zijn voorgangers moesten stad en land afreizen en vooral op stilistische gronden oordelen en daarbij vertrouwen op hun geheugen. Bovendien konden ze niet beschikken over de vele wetenschappelijke onderzoekstechnieken van nu.

Infraroodtechniek, pigmentanalyse, dendrochronologie (houtonderzoek) – op vele manieren kunnen schilderijen nu worden onderzocht. Ubl: „Aan de hand van jaarringen kunnen we redelijk nauwkeurig bepalen wanneer een boom gekapt is. Als een schilderij stilistisch gezien een Bosch lijkt, maar uit jaarringonderzoek blijkt dat het gebruikte paneel van rond 1550 dateert, dus ver na de dood van Bosch, kunnen we meteen vaststellen dat het werk van een navolger is.”

Ubl neemt het Friedländer dan ook niet kwalijk dat hij er in 1930 zo naast zat. „Ik heb juist grote bewondering voor hem. Met de beperkte middelen die hij had, heeft hij zoveel knap werk verricht.”

En wie weet, zegt de conservator, wordt nog eens duidelijk wie deze navolgers waren. „Dan kunnen we de kunstproductie ten tijde van Bosch met nieuwe gegevens verhelderen.”