De erfenis van een renaissancekenner

Een bewonderenswaardig complete catalogus belicht gedetailleerd de Italiaanse schilderijen uit de jaren 1350-1550, die de Amerikaanse connaisseur en zijn vrouw in hun Villa I Tatti bij Florence bijeenbrachten.

De Amerikaanse kunsthistoricus Bernard Berenson (1865-1959) was een echte connaisseur. Op grond van louter visuele kenmerken wist hij moeiteloos kunstwerken in de tijd te plaatsen en met elkaar in verband te brengen. Op het gebied van de laatmiddeleeuwse- en renaissanceschilderkunst van Italië gold hij tijdens zijn leven als een nauwelijks te overtreffen autoriteit.

Berenson maakte fortuin met zijn toeschrijvingen van schilderijen waarvan hij bij verkoop een percentage van de opbrengst ontving. Om deze praktijk is hij vaak bekritiseerd, al heeft hij altijd volgehouden nooit voor eigen gewin onverantwoorde toeschrijvingen te hebben gedaan. Zo schreef hij over kunsthandelaar en verzamelaar Alessandro Contini Bonacossi, die een kopie naar Rafael bezat, dat deze poogde Berenson en zijn vrouw te overreden dat werk eigenhandig te verklaren. Berenson vermeldt bijna als vanzelfsprekend dat ze daarop ‘verontwaardigd besloten Contini en alles wat hij bezat nooit meer te willen zien’.

Uit de onlangs verschenen catalogus van de privécollectie die Berenson en zijn vrouw Mary bijeen hebben gebracht, blijkt dat hun onderlinge betrekkingen later weer verbeterden, want Contini schonk hun begin jaren vijftig een schilderij van de zestiende-eeuwse Venetiaan Lorenzo Lotto. Deze Kruisiging met de Arma Christi was een goed gekozen cadeau: een opschrift op de achterkant leert dat de devote schilder het had gemaakt voor zijn eigen religieuze oefeningen, en geeft zeldzaam precies het moment van voltooiing: 11 februari 1544 om 17 uur (‘Goede Vrijdag 1544, op het uur van de kruisiging’). Bovendien is het een werk van de schilder die in 1895 door een boek van Berenson zelf aan de vergetelheid was ontrukt.

Het opnemen van Berensons herinnering aan Contini, die voor het desbetreffende schilderij overigens niet essentieel is, illustreert de bewonderenswaardige compleetheid van de catalogus van de ruim honderd oude schilderijen die zijn collectie bevatte. De verzameling van vrijwel uitsluitend Italiaanse schilderijen uit de periode 1350-1550, bevindt zich nog altijd in Berensons Villa I Tatti nabij Florence, die na zijn dood is omgevormd tot een onderzoeksinstituut van Harvard University. De prachtig verzorgde, maar bijna onhandelbaar dikke publicatie is samengesteld door de Nederlandse kunsthistorica en Tatti-fellow Machtelt Brüggen Israëls en haar Amerikaanse collega Carl Brandon Strehlke, bijgestaan door tientallen andere experts.

Correspondentie

Enkele inleidende essays over de verzamelactiviteiten van Mary en Bernard Berenson en hun contacten met collega’s als Roger Fry en kunstenaars als René Piot, putten uit de omvangrijke correspondentie tussen de echtelieden onderling en met collega’s, vrienden en kennissen in de wereld van kunst en cultuur.

Vele foto’s uit de oude doos larderen de teksten: vaak tonen ze de frêle gestalte van de steevast onberispelijk geklede Berenson tegen de achtergrond van een wand van zijn landhuis waar het betreffende schilderij hangt. Documenterende opnamen van alleen kunstwerken illustreren de povere fotografische middelen die kunstgeleerden destijds ter beschikking stonden.

Zwaartepunten in Berensons collectie lagen bij schilders uit Noord-Italië en Florence, en vooral ook bij kunstenaars uit de toen nog maar nauwelijks kunsthistorisch ontgonnen Toscaanse stad Siena. Zo bezat Berenson van de Sienese schilder Bartolomeo Bulgarini (gestorven in 1378) een viertal panelen met heiligenuit de franciscanenkerk in Pienza. In de slaapkamer hing naast zijn bed een fragment van een groot altaarstuk van Sano di Pietro (1406-1481), en van diezelfde schilder had hij twee ongeveer een halve meter hoge panelen met Madonna’s van wie de Christuskinderen de voor deze schilder kenmerkende rossige gloed in het haar hebben. Alle werken zijn zeer gedetailleerd beschreven, tot de verzamelaarsmerken en -etiketten op de achterkant van het doek aan toe.

Toeschrijvingen krijgen uiteraard ruime aandacht, waaruit blijkt dat die tegenwoordig soms anders uitvallen dan die van Berenson zelf – zoals in het geval van een vijftiende-eeuwse Madonna van Domenico Veneziano, die Berenson voor een werk van de minder beroemde Alessio Baldovinetti hield. Dat Berenson ook wel eens een ernstiger steek liet vallen, blijkt uit een paar negentiende-eeuwse vervalsingen die hij kocht.

Zondagskinderen

Inhoud en toon van dit monumentale boek richten zich in de eerste plaats op specialisten; voor algemener geïnteresseerden levert het ook een mooi tijdsbeeld op van het verzamelen van ‘Old masters’ door Britse en Amerikaanse zondagskinderen in het Italië van de eerste helft van de twintigste eeuw. Over de, elders al breed uitgemeten, smeuïger aspecten van de biografie van de Berensons komt de lezer in dit boek terloops het een en ander te weten. Zo wordt de kinnesinne tussen Bernard en andere kunstkenners zoals Roberto Longhi en R. Langton Douglas niet verzwegen, evenmin als zijn openlijke buitenechtelijke escapades.

Tot de topstukken van de collectie behoren drie meer dan manshoge panelen van een groot altaarstuk dat in 1437-1444 door de Sienese schilder Sassetta is gemaakt. Een ervan toont de Heilige Franciscus in glorie, die bij het huwelijk tussen Bernard en Mary in 1900 de trouwkapel heeft opgeluisterd. Tussen neus en lippen door merkt een van de auteurs daarover op dat de franciscaanse idealen van armoede en kuisheid evenwel ‘ontsnapten aan deze specifieke verbintenis’.