Voetbal en plastische chirurgie in moderne Shakespeare

400 jaar na Shakespeare Shakespeare's 400ste sterfjaar wordt in 2016 groots gevierd: het werk van de Britse bard is niet alleen literair relevant, maar laat ook ruimte over voor maatschappelijke invulling.

Een jood gaat naar de dokter omdat hij zich niet lekker voelt. De dokter zegt: ‘Je moet ophouden met masturberen’. ‘Waarom?’ vraagt de man. Antwoordt de dokter: ‘Anders kan ik je niet onderzoeken’. Er bestaan veel moppen over masturberende joden, schrijft Howard Jacobson in zijn roman Shylock is My Name. Daar zijn twee redenen voor: de eerste is dat een jood zowel zijn zaad als zijn geld voor zichzelf wil houden. De ander: door de besnijdenis ben je geneigd je penis te beschermen. Wat in ieder geval als een paal boven water staat: de mop is een geschikte plek om ongegeneerd stereotypen te spuien. Jacobson doet dat met verve, maar gaat in zijn roman nog een stap verder. Zo trekt hij vele registers open om antwoord te vinden op vragen als: bestaat er inderdaad een inherent stereotype jood of is die door de omstandigheden gecreëerd, en in hoeverre is de jood in kwestie bereid zich te gedragen naar het beeld dat hij opgelegd krijgt? Deze vragen krijgt hij in Shylock is My Name aangereikt door Shakespeare’s komedie The Merchant of Venice, waarvan de roman een bewerking is.

De literaire waarde staat voor eeuwig buiten kijf, maar wie zich met het herschrijven van Shakespeare wil bezighouden, krijgt onvermijdelijk te maken met de vraag hoe maatschappelijk relevant zijn werk nog is. Het bordspel met koningen, prinsen, koninginnen en andere noodlottige geliefden voelt in deze tijd van prins Charles en koning Willem ietwat buitenaards aan, om nog maar te zwijgen over eigenaardigheden uit die tijd waar we nu anders tegenaan kijken, zoals antisemitisme.

Jacobson stelde zich in een BBC-documentaire over Venetië – in de aanloop naar de verschijning van Shylock is My Name – de vraag hoe antisemitisch Shylock in The Merchant of Venice eigenlijk is. Jacobsons roman is de tweede in een reeks Shakespearebewerkingen ter gelegenheid van de 400ste sterfdag van de bard. In de eerste roman uit de reeks verplaatste Jeanette Winterson met succes de handeling naar de bankwereld, maar Jacobson heeft eerst nog een politiek correct appeltje te schillen.

Diverse portretschilderingen van William Shakespeare laten zien dat nog altijd onduidelijk is hoe hij er echt heeft uitgezien.AFP Photo/National Portrait Gallery HO

In The Merchant of Venice – een flink bediscussieerd stuk – wil Bassanio geld lenen om indruk te kunnen maken op de mooie Portia. Zijn vriend, de koopman Antonio heeft het even niet en leent het op zijn beurt bij de joodse bankier Shylock. Antonio heeft pech, zijn schepen vergaan en hij kan het niet terugbetalen. Op dat moment treedt de clausule in werking die Shylock had bedacht: hij heeft recht op een pond vlees uit het lichaam van de onfortuinlijke koopman. Shylock wordt als gierige, behendige bankier neergezet – een karikatuur van joden die in de eeuwen daarna nog regelmatig misbruikt zou worden. Jacobson – die zichzelf wel eens ironisch ‘de joodse Jane Austen’ heeft genoemd – kijkt er met nuance tegenaan. Ja, Shylock is een gierige misantroop, maar er zijn andere verklaringen te vinden dan antisemitisme. Hij is een beschámend personage, dat wel, maar je kan er evengoed een geestig en intelligent personage van maken. En dat is precies van Jacobson doet.

Banale februaridag

Shylock is My Name begint met Shylock die bijna vier eeuwen nadat hij op papier is gezet op zo’n ‘onvoorstelbaar banale februaridag’ waarop je ‘liever-dood-dan-levend bent in het noorden van Engeland’ bij een graaf staat. Op dat kerkhof staat ook de 20ste-eeuwer Simon Strulovitch, een niet praktiserende jood. Deze filantroop – de trotse bezitter van een verzameling dure Bijbels die goed in de hand liggen – ontwikkelt constant nieuwe interesses om ze weer even snel te laten varen. Alsof hij het decor voor een toneelstuk beschrijft zet Jacobson de situatie neer. De handeling komt dan ook op gang door de vele dialogen tussen Strulovitch en Shylock.

De gesprekken draaien meestal om de vraag wat er nog over is van het antisemitisme (‘Laat ik je zeggen dat niemand nog bang is voor ons’, zegt Strulovitch). Andere keren onderzoeken ze hoe het nu zit met het jodendom in Engeland vergeleken met wat ze, gebruik makend van een nazibegrip, het ‘Judenfrei Elizabethan England’ noemen.

Een goeie jood, is een wandelende jood, verklaart Shylock

De gesprekken tussen de twee leiden tot mooie uitwisselingen die de ene keer als uitkomst de eerder genoemde mop hebben, de andere keer uitmonden in een verklaring van antisemitisme door het hebben van een vaste verblijfplaats. Immers: ‘Een goeie jood, is een wandelende jood’. Ondertussen is Strulovitch niet zonder zorgen: zijn 16-jarige dochter is verliefd op een voetballer die al meerdere malen is getrouwd en landelijke bekendheid kreeg omdat hij voor het eerst in twee jaar weer scoorde en de Hitlergroet maakte. Een staaltje performancekunst, aldus de dochter. Onwetendheid, meent de voetballer zelf. Jacobson typeert hem kort maar dodelijk: ‘hij wist goed gebruik te maken van de weinige woorden die hij tot zijn beschikking had.’

Shakespeare’s andere personages komen ook uitgebreid aan bod bij Jacobson. Zo is er de homo-erotische D’Anton (Antonio) die tot veel bereid is om zijn vriend Barnaby (Bassiano) te helpen. De vrouw op wie Barnaby indruk wil maken is een tv-beroemdheid die onder het mes moet voor plastische chirurgie op plekken waar ze al eerder plastische chirurgie had. Ook is ze de trotse bezitter van een lange voor- en achternaam ‘Anna Livia Plurabelle Cleopatra A Thing Of Beauty Is A Joy Forever Christina’; Purry (Portia) voor intimi. De werelden kruisen elkaar omdat Strulovitch’ dochter bevriend raakt met Purry, en van de voetballer geëist wordt dat hij joods wordt, met alle overweldigend geestige uitwisselingen van argumenten van dien.

Jacobson bleef dichter bij Shakespeare’s toneelstuk dan Winterson deed. Zijn aanpassingen zijn briljant, inclusief de kwestie rondom het pond vlees van Antonio’s lichaam. De vertrouwde humor die is terug te vinden in bijna alle romans van Jacobson is ook hier veelvuldig aanwezig, zonder dat het bij grappen en grollen blijft. Shylock is My Name is een intelligent boek waarin Jacobson meer doet dan een literaire schurk een menselijker gezicht geven voor de lezers van nu. Hij gaat ook terug naar de traditie wanneer hij een verband legt met het Bijbelse verhaal van Abraham die bijna zijn zoon offerde. Jacobson betoogt met humor en finesse dat de omstandigheden de antisemiet en de stereotype jood maken. Het besef dat omstandigheden de mens maken, is een boodschap die gerust breder opgepakt mag worden. De volgende auteurs die Shakespeare gaan bewerken zullen er dan ook een hele kluif aan hebben om Jacobson te overtreffen.