De Armeniërs is niets bespaard gebleven

In zijn aangrijpende familiekroniek vertelt de Roemeense politicus Vosganian ook de geschiedenis van het Armeense volk dat tussen Rusland en Turkije werd vermorzeld. Ceausescu wist ook van wanten.

De massamoord op Armeniërs in het Turkse Trebizonde, nuTrabzon, 1895
De massamoord op Armeniërs in het Turkse Trebizonde, nuTrabzon, 1895 Foto Art Media/Getty Images

In de kinderjaren van de Roemeens-Armeense verteller van Het boek der fluisteringen (2009) wordt bij zijn grootvader met tussenpozen een buitenlands postpakketje bezorgd, met daarin een uit hout gesneden paardje. Om ermee te kunnen spelen, maakt de jongen zich er meester van. De daaropvolgende afkeuring van de volwassenen begrijpt hij niet. Later leert hij dat elk speelgoedpaardje ‘een boodschapper des doods’ is, een gecodeerd bericht, aangezien in Roemenië onder Ceausescu alle buitenlandse post door de censuur wordt gelezen. Het paardje beduidt dat operatie-Nemesis een nieuw slachtoffer heeft gemaakt.

Nemesis is de naam van het geheime commando dat in de vorige eeuw wereldwijd hooggeplaatste Turken liquideerde ter vergelding van de Armeense genocide van 1915. De geschiedenis van deze eenheid en in het bijzonder van een van haar agenten, Misak Torlakian, die Behbud Khan (een bewindsman in Azerbeidzjan) voor zijn hotel in het toenmalige Constantinopel doodschoot, is een van de vele verhalen in Het boek der fluisteringen, een boek ‘als een touw dat is gemaakt van aan elkaar geknoopte zakdoeken’.

De verteller heet Varujan Vosganian en is in 1958 geboren in de Armeense gemeenschap in Roemenië. Dat geldt ook voor de auteur. En omdat hier geen sprake is van postmodernistische autofictie lijkt het erop dat we de twee met elkaar mogen vereenzelvigen.

Fluistertoon

In de provinciestad Focsani, waar Vosganian is opgegroeid, kwam hij vaak bij zijn grootvader Garabet, in wiens tuin zich ’s middags een gezelschap van oude Armeniërs verzamelde voor de koffieceremonie. Velen torsten een schuldgevoel met zich mee, omdat ze de enige overlevenden van hun familie waren. Ze deden hun verbijsterende verhalen op fluistertoon vanwege de Securitate.

Van jongs af zag Vosganian het als zijn plicht die verhalen op te schrijven: wanneer het regende liet hij onnatuurlijk diepe voetsporen in de modder achter, ‘alsof iemand op mijn schouders drukte’.

De vertelde gebeurtenissen strekken zich uit van de massamoorden in 1895 op Armeense christenen in het Ottomaanse rijk onder het bewind van sultan Abdul Hamid tot de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink in Istanbul in 2007. We lezen over generaal Dro, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn Armeense Legioen aansloot bij nazi-Duitsland in de verwachting dat Hitler na de Sovjet-troepen verslagen te hebben een onafhankelijk Armenië zou toestaan. En we lezen over de repatriëring, kort na de oorlog, van ‘de naar alle windstreken verstrooide Armeniërs’ op uitnodiging van Stalin. Die reis naar het vaderland, herdoopt tot Socialistische Sovjetrepubliek Armenië, bleek neer te komen op deportatie naar Siberië.

Op twee episodes ligt de nadruk. Ten eerste is daar, na de staatsgreep van de ‘Jonge Turken’, de volkerenmoord die op 24 april 1915 begon met het arresteren en doden van honderden vooraanstaande Armeense intellectuelen. Na massa-executies van weerbare Armeense mannen werden voornamelijk vrouwen, kinderen en bejaarden naar de Syrische woestijn gedeporteerd. De verschrikkingen van die voettochten (de gedeporteerden werden niet geacht de eindbestemming, het kamp Deir ez-Zor aan de Eufraat, te bereiken, maar onderweg van uitputting te bezwijken) beleven we met Sahag Seitanian, die de dodenmars overleeft doordat zijn moeder hem als slaaf aan passerende bedoeïenen meegeeft. Deze Sahag is de toekomstige peetvader van Varujan Vosganian.

Gevluchte Armeniërs trokken over de hele wereld, en de tweede belangrijke episode in het boek is de communistische onderdrukking van de tienduizenden die een bestaan in Roemenië probeerden op te bouwen.

Zakendoen zit Armeniërs in het bloed, beklemtoont Vosganian, en hij vertelt het verhaal van het fortuin van Hartin Fringhian, waar de wet op de nationalisatie in 1948 een eind aan maakt: van de ene op de andere dag is de overheid eigenaar van zijn fabrieken.

Gezocht door de Securitate vlucht Fringhian – in zijn smoking – de bergen in, ieder die hem helpt belonend met een genereuze aantekening in zijn testament, want het wil er bij de industrieel niet in dat zijn nalatenschap volkomen fictief is geworden. Hij eindigt als armoedige walnotenverkoper; in de strenge winter vinden ze hem ‘met glazige ogen en opgerold als een bevroren vogel’ en hij wordt begraven in ‘het zwarte pak dat ooit een smoking was geweest.’

Uitmuntend verteller

Zo vertelt Vosganian tegelijk met zijn familiekroniek de geschiedenis van een volk dat tussen de grootmachten Rusland en Turkije vermorzeld wordt. Het nadeel van zo’n compositie met veel hoofdrolspelers is dat de lezer niet de kans krijgt zich werkelijk aan hen te hechten, te meer omdat de auteur wel een uitmuntend verteller is, maar minder de kunst verstaat personages in scènes op te voeren. Ik voeg daaraan toe dat zulke kritiek gezien de aard van het boek nauwelijks gepast lijkt; het is alsof je de kwaliteit van het rouwboeket bespreekt dat bij een massagraf is neergelegd. Laat ik het zo zeggen: de personages zijn niet onvergetelijk, maar de verhalen diep aangrijpend.

Varujan Vosganian is behalve schrijver ook econoom en parlementslid. Hij was de Roemeense minister van Economische Zaken. Als (conservatief) politicus is hij niet onomstreden, maar schrijven kan hij. In lange, precieze, nuchtere zinnen die hun doel niet missen beschrijft hij de levens die hij met zich meedraagt, met als motto zijn grootvaders woorden: ‘Wij onderscheiden ons niet door wat we zijn, maar door de doden die ieder van ons beweent’.