Aflossing maakt schuld, in de wereld van Walter van den Berg

De eerste zin van Schuld, de vierde roman van Walter van den Berg (1970) kan klassiek worden: ‘Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg.’ Het maakt nieuwsgierig, gebruikt de contrastwerking tussen de softe zang en de harde doodslag en onder het gras zit een addertje, dat hier maar beter niet onthuld kan worden. De doodslag vormt de spil van Schuld: Van den Berg laat in korte hoofdstukken zien wat er gebeurde in het leven van de hoofdpersonen vóór en na die bewuste avond.

De meeste personages kwamen al voor in West (2007) de tweede roman van Van den Berg (1970). De broers Cor en Ron, opgegroeid in Amsterdam Nieuw-West bij hun moeder en een slaande stiefvader. Uiteindelijk zou Ron de man met geweld uit het huis verjagen. Die twee mannen, veertigers, en hun sluimerende conflict vormen ook de harde kern van Schuld dat zich net als het grootste deel van Van den Bergs werk afspeelt in de minder prettige kringen van Slotervaart: garages vol gestolen waar, huiselijke en openbare geweldpleging, frustraties en bedreigingen. Ron worstelt er zich als half getalenteerde klusjesman en nog minder getalenteerd zanger door het leven, Cor is ‘meneertje vwo’ – inmiddels schrijver. Ten opzichte van West is er een grote rol voor Rons zoon Kevin, een razend slimme econometriestudent, die zijn vaardigheden met elektronica voor verschillende verkeerde doelen inzet. Het is de wereld waarin je bij je tante in de aanleunflat logeert omdat je je huis via een onbetrouwbare tussenpersoon aan een groep Polen hebt verhuurd. Van den Berg leidt ons erdoorheen in hoog tempo en in een even kale als onberispelijke stijl, waarbij de puzzelstukjes perfect in elkaar passen. Zoals de titel al suggereert draait alles in de roman om schuld en schuldgevoel – zowel in materiële als in morele zin, waarbij elke mogelijke vereffening of aflossing een nieuwe schuld oplevert. Geen van de personages is daarbij in staat om het geheel te overzien.

Zo is Schuld een voorbeeldige roman, waarin met grote stilistische beheersing een wereld wordt opgeroepen waarin zelfbeheersing altijd een probleem is. Nu is dat iets wat de lezers van Walter van den Berg al tien jaar weten. Het enige wat je dan ook op deze roman aan kunt merken is dat Van den Berg geografisch en thematisch wel heel erg op vertrouwd terrein blijft. Dat levert het gevaar op dat dit schrijverschap uiteindelijk in zichzelf opgesloten raakt. En dat zou zonde zijn: Van den Berg is veel te goed om alleen maar de chroniqueur van de kansarmen in Amsterdam-West te zijn.