Wie doet hier nou aan eiland-denken?

Het is iets te gemakkelijk om de Britten met hun Brexit-debat weg te zetten als excentriek en egoïstisch, vindt Hieke Jippes. Hun Europa zag er van het begin af aan anders uit.

Het heeft geen zin om bij de Engelsen te appelleren aan solidariteit of het Europese ideaal, schreef Joris Luyendijk op 14 januari. Gooi ze (tijdelijk) uit de Europese Unie en laat ze bloeden voor hun eiland-denken. Dat zal ze leren in hun hoovaardigheid om bij Brexit-onderhandelingen beloften ten eigen bate af te dwingen.

Werkelijk? Moeten we echt alle oude koeien weer uit de sloot halen: Churchill die na de Tweede Wereldoorlog als een van de eersten over één Europa sprak? Een oorlog die sommigen van ons zich nog net herinneren en waarin de Engelsen democratisch Europa redden? Moeten we het weer hebben over president De Gaulle, die zich in diezelfde oorlog vernederd had gevoeld door Churchill, en die (in de woorden van Andrew Marr), toen in 1958 de gemeenschappelijke markt eenmaal een feit was, geen „tweede haan op de mesthoop” naast zich duldde en er alles aan deed om de Britten buiten de deur te houden? En die de EEG, nu Frankrijk daarin dominant was, vooral gebruikte om landbouwprotectie af te dwingen volgens een systeem dat de Europese burger decennia lang opzadelde met verplichtingen die aan niemand – ook aan de Britse burger niet – meer uit te leggen zijn? Engelsen geen gevoel voor het Europese ideaal? Zeker wel, maar dan ook volgens de regels van eerlijk spel.

In geen enkel land, bij mijn weten, is er zo uitvoerig over voors en tegens van een verenigd Europa gedebatteerd als in het VK. Dat gebeurde vooral midden in de periode – begin van de jaren negentig – dat een vorig Brits Conservatief kabinet als nooit tevoren worstelde met ‘Europa’. Onder Thatchers opvolger, John Major, was de ministerraad verdeeld in premier-getrouwen en bastards. Dat waren degenen die tegen de premier en het partijstandpunt stookten in de pers. En degenen die de premier, naar het gezegde van voormalig Amerikaans president Lyndon Johnson, liever „inside the tent pissing out” hield, dan het omgekeerde. In de Britse media ging het politieke discours over niets anders. Het democratisch tekort (wat hebben benoemde- en dus niet gekozen Europese commissarissen over ons te beslissen?) lag ten grondslag aan die discussies.

In Nederland interviewde ik politieke prominenten over de vraag waarom die discussie hier niet woedde: wij Nederlanders stonden in de aanloop naar het verdrag van Maastricht immers voor hetzelfde? Algemeen antwoord: „Wij in Nederland hebben als uitgangspositie dat we allereerst een goed Europeaan moeten zijn. Dus hou je je kritiek voor je.” Maar zo zag ‘Europa’ er voor de gemiddelde Engelsman uit: op de markt moest hij van de ene dag op de andere een halve kilo- in plaats van zijn 1 lb (453 g) appels kopen en wee de koopman die zijn borden niet aanpaste.

Ondertussen signaleerden Frankrijk- en Italie-gangers op zo’n zelfde markt open schalen met klaargemaakt voedsel, door vliegen bestormde kazen en worsten en een laissez faire-houding ten aanzien van handhaven van de regels die in het plichtsgetrouwe Engeland ondenkbaar was. En later: terwijl in Engeland zogenoemde metric martyrs de gevangenis indraaiden, hielden Europese landen als Ierland en Nederland referenda over ever closer union, waarin het electoraat eerst ‘nee’ zei en kort daarop – in een onmiskenbare geur van politieke manipulatie – ‘ja’. Ook dat ging dwars in tegen het rechtvaardigheidsgevoel van de gemiddelde Engelsman. „Denken ze dat we op ons achterhoofd gevallen zijn?”

Niettemin, Engelse kiezers begrijpen heel goed dat de toekomst er anders uitziet dan het verleden. Welbegrepen eigenbelang maakt dat de peilingen tot nu toe schommelen rond 50 procent vóór blijvend lidmaatschap van de Europese Unie en dat is nog vóór inwilliging van het pakket (slappe) eisen die Cameron bij de andere EU-landen op tafel heeft gelegd en die, zoals zo vaak in het verleden, in grote lijnen ook de wil van een Nederlandse regering vertegenwoordigen.

Britten/Engelsen weten al lang dat de ‘special relationship’ met de VS – waarvan de Gaulle destijds eiste dat Londen die zou verbreken als het mee wilde doen met de EG – aan sleet onderhevig is. En ze beseffen dat het Gemenebest van voormalige koloniën – alweer volgens Marr – niet meer is dan „een outreach-programma voor de koninklijke familie” en economisch gezien vrijwel zonder waarde. Maar anders dan Luyendijk formuleert kun je het ook beschouwen als een klein wonder dat de helft van de referendum-gangers zelfs in dit stadium van continentaal-Europese verdeeldheid en besluiteloosheid over vredesvraagstukken, buitenlands beleid en vluchtelingentoestroom, al overwegen vóór blijvend lidmaatschap te stemmen.

Vooralsnog moet ik steeds maar denken aan die keer dat ik met een cameraploeg bij de ingang van de pier in Eastbourne stond, een plaats waar vandaan je bij helder weer de kustlijn van het continent kunt zien. Het ging erom passanten te peilen over h'un gevoelens ten aanzien van Europa. In de stromende regen ontlaadde een bus voor dagtochtjes zijn passagiers-op-leeftijd. Vraag: „Kunt u mij zeggen waar Europa ligt?” Man met druppels op zijn regenkapje en beslagen bril draait zich af van de camera en wijst in de mist vaag richting Belgische kust. Dan draait hij zich terug, arm nog steeds uitgestrekt en zegt betrapt: „But you’re kidding me! We are in Europe! Aren't we?”