‘We zijn nu dichter dan ooit bij Bosch’

Zes jaar lang, in aanloop naar de grote Bosch-expo in Den Bosch, reisden wetenschappers de wereld rond om alle werken van Jheronimus Bosch precies in kaart te brengen.

Jos Koldeweij en Matthijs Ilsink
Jos Koldeweij en Matthijs Ilsink

Hoe krijgt een middelgroot museum in ’s-Hertogenbosch het voor elkaar om bijna het hele oeuvre van Jheronimus Bosch in bruikleen te krijgen, terwijl het zelf geen enkel werk bezit? Het Noordbrabants Museum wilde het 500ste sterfjaar van Bosch in stijl vieren, met een grootse overzichtstentoonstelling van de in Den Bosch geboren en gestorven schilder. Maar het had zelf weinig te bieden aan de musea in binnen- en buitenland.

Museumdirecteur Charles de Mooij verzon een slim plan: samen met de Radboud Universiteit Nijmegen en de Stichting Jheronimus Bosch 500 werd in 2009 een onderzoeksproject opgezet: het Bosch Research and Conservation Project (BRCP). Een team onder leiding van kunsthistoricus Matthijs Ilsink kreeg opdracht het volledige oeuvre van Bosch te onderzoeken en documenteren volgens een wetenschappelijke, gestandaardiseerde opzet. Zo’n onderzoek was nog nooit eerder gedaan. Tijdens de bezoeken zou worden geprobeerd de werken in bruikleen te krijgen voor de tentoonstelling in 2016. In ruil daarvoor zou het BRCP aanbieden de werken zonodig te restaureren. In totaal werden negen schilderijen gerestaureerd.

„We zijn langs vrijwel alle musea ter wereld getrokken die een werk van Bosch in bezit hebben”, vertelt Ilsink. „Traditioneel richt het meeste onderzoek zich op de betekenis van zijn kunstwerken en minder op zijn schildertechniek, de materialen die hij gebruikte en de conditie van de werken. Wij hebben elk schilderij tot in de kleinste details geanalyseerd.”

Een wetenschappelijk comité, voorgezeten door kunsthistoricus Jos Koldeweij, hoogleraar aan de Radboud Universiteit en Bosch-kenner, begeleidde het onderzoek. „De liefde voor Bosch begon bij mij toen ik veertien was”, vertelt hij. „Ik ging in 1967 met school naar de grote Bosch-tentoonstelling hier in Het Noordbrabants Museum. De fascinerende verbeeldingswereld van Bosch maakte grote indruk.”

Koldeweij maakte in 2001 een grote Bosch-tentoonstelling voor Museum Boijmans Van Beuningen. Hij kreeg assistentie van Ilsink, die daar in het prentenkabinet werkte. „In 2009 ben ik bij Jos gepromoveerd op de verbinding tussen Bosch en Bruegel”, zegt Ilsink. „Daarna zijn we samen aan dit grote project begonnen.”

Waar beiden erg van gecharmeerd zijn, is de losse stijl waarin Bosch werkte. Koldeweij: „In zijn tijd was het mode om heel glad en gelikt te schilderen. In steden als Antwerpen of Brugge tekenden de schilders eerst een voorstelling en daarna vulden ze die netjes in. Maar Bosch woonde in Den Bosch, dat geen artistieke traditie kende. Daardoor kon hij zich helemaal op zijn eigen manier ontwikkelen. Hij schilderde snel, slordig en heel dun. Vaak schilderde hij er alweer iets nieuws overheen als de verf nog nat was.”

Ilsink: „Hij knutselde eindeloos en bleef er dingen aan veranderen. Dat kun je zien aan de ondertekeningen, die soms heel anders zijn dan het uiteindelijke schilderij.”

Koldeweij: „Typerend voor Bosch is de vanzelfsprekende manier waarop hij de voorstelling neerzet. Navolgers kopiëren zijn stijl krampachtig, maar bij hem vloeit het uit zijn penseel. Met een klein tipje verf zet hij heel snel iets neer.”

Diplomatie

Het onderzoek ging niet zonder slag of stoot. „In Venetië kwamen we aanvankelijk bijna niet binnen”, vertelt Ilsink. „Daar moest zelfs diplomatieke hulp aan te pas komen. Uiteindelijk is het wel gelukt en hebben we fantastisch samengewerkt, tot en met de restauratie van al hun Bosch-schilderijen.” Ook bij de Academie van Beeldende Kunsten in Wenen en het Prado in Madrid stuitte het team op problemen. In Wenen loopt een eigen onderzoek dat eerst moet worden afgerond. In het Prado werd het onderzoek tot op zekere hoogte toegestaan.

Ilsink: „In het Prado mochten we drie belangrijke stukken wel onderzoeken, De Hooiwagen, De Aanbidding door de Drie Koningen en De Keisnijding, maar niet De Zeven Hoofdzonden, een klein paneel met de Heilige Antonius en De Tuin der Lusten. Je kunt je afvragen waarom. Voor een deel begrijp ik het wel. De Tuin der Lusten is een van hun topstukken. Daar komen elke dag drommen bezoekers naar kijken. Het Prado wilde niet dat we het op zaal zouden onderzoeken. Als we het voor onderzoek naar het depot hadden overgebracht, was het twee weken niet voor het publiek te zien geweest, dat wilden ze ook niet. Bovendien zei het Prado: wij doen al ons eigen onderzoek. Zij hebben in mei ook een grote Bosch-tentoonstelling en dan komen ze met eigen bevindingen.”

Deze drie werken mocht het BRCP ook niet fotograferen. Ilsink: „We hebben een gespecialiseerde fotograaf in ons team die de schilderijen in ultrahoge resolutie digitaal vastlegt. Op die manier kun je de details minutieus bestuderen in zichtbaar licht en infrarood.” Van De Zeven Hoofdzonden mocht het projectteam wel ter plekke infraroodfoto’s bekijken, maar niet reproduceren en opnemen in hun documentatie.

Ilsink en Koldeweij moesten laveren tussen onderzoek en diplomatie, want Het Noordbrabants Museum wilde van het Prado graag een topstuk lenen: De Hooiwagen. De toch al wat gespannen verhouding met het museum in Madrid kwam afgelopen november op scherp te staan toen via een documentaire voortijdig naar buiten kwam dat het BRCP De Zeven Hoofzonden afschreef uit het oeuvre van Bosch. Ook een werk van het Gentse Museum voor Schone Kunsten, De Kruisdraging, schreven ze af. De twee musea reageerden ontstemd, het Gentse Museum wat milder dan het Prado. De conservator van het Prado zei: „Ik vraag me af deze mensen wel echt over de juiste expertise beschikken.”

De onderzoekers reageren nuchter op die kritiek. Ilsink: „De belangen van een museum zijn niet dezelfde als die van de wetenschap. Musea zijn ook etalages die gevuld moeten worden.”

Koldeweij: „Als wij de naam Bosch weghalen van een schilderij, verandert de status. Dan zijn het geen topstukken meer.” Ilsink: „Maar aan deze werken werd al langer getwijfeld. Wij hebben ons onvoldoende gerealiseerd dat anderen hier nieuws in zouden zien.”

Uiltjes

Hoe zie je of iets een echte Bosch is? De onderzoekers lieten een geavanceerd computerprogramma maken waarmee ze alle werken nauwkeurig konden vergelijken. Dat maakt het mogelijk om verschillen tussen de onder- en de bovenlaag op te sporen, maar ook om details in reeksen naast elkaar te zetten: alle oren, alle kannetjes, alle uiltjes die Bosch schilderde. Koldeweij: „Dan zie je bijvoorbeeld dat het glanzende, golvende haar van een Mariafiguur op een schilderij waarover twijfel is precies op dezelfde manier is geschilderd als het haar op een schilderij waarvan de authenticiteit onbetwist vaststaat.”

Door zo te vergelijken, ontdekten de onderzoekers twee nieuwe werken: een tekening die in bezit was van een particulier en een paneel in het depot van een museum in Kansas City. „Een kleine maar belangrijke toevoeging aan het oeuvre van Bosch”, noemen de onderzoekers die laatste ontdekking. Op dit werk, De Verzoeking van de heilige Antonius, komen figuurtjes voor die Bosch ook op andere werken schilderde: een trechtermannetje, een gedrocht met een vossenkop en een monsterlijke lepelaar. Ze werden in de database vergeleken. En de Antonius-figuur lijkt sterk op de heilige op een triptiek die ze onderzochten in Venetië.

Ook in de ondertekeningen vonden ze bewijs dat het werk van de hand van de meester zelf is. Daar zagen ze hoe Bosch met een vrij dik penseel met een waterig medium globaal en zoekend tekende hoe de voorstelling op het paneel terecht moest komen. Die aanpak herkenden zij van andere werken van Bosch.

Ilsink: „Het leukste van ons onderzoek vond ik om te zien hoe Bosch tekende met verf. Niet dat spiegelgladde schilderen dat in de mode was, maar die schetsende penseelstreek.”

Koldeweij: „Wij hebben dankzij de nieuwe technieken beter kunnen kijken naar Bosch dan al onze voorgangers. Wat ik het spannendste vond, is dat we zowel het eerste concept van zijn werken hebben gezien als de definitieve uitwerking. Dat heeft ons dichter bij Bosch gebracht dan ooit.”