Overal duiken lepelaars op

Hij kon erg goed vogels schilderen. IJsvogeltjes, bonte kraaien en krakeenden. Ze doen volop mee in het spel van lust en marteling, maar bij bestialiteit legt Bosch een grens.

Niemand heeft het ooit nageteld, maar het moeten duizenden dieren zijn die Jeroen Bosch afbeeldde op zijn drieluik De Tuin der Lusten. Het meeste gedierte is vogel, maar er figureren ook zoogdieren, vissen, insecten, kikkers, salamanders en een enkele slang. En dan is er natuurlijk nog de categorie mythologische en vooral monsterlijke fantasiedieren waar Bosch in excelleerde. Het is een heerlijke menagerie die zowel kunst- als natuurliefhebbers inspireert.

Neem de vogel die Bosch afbeeldde op het linkerpaneel, in het Aardse Paradijs aan de voeten van Adam. Het is overduidelijk een bonte kraai. Elders, midden in de tuin der lusten, komt die vogelsoort ook voor, maar dan op de hoofden van wulps badende blondines. Het is de eerste afbeelding van deze vogelsoort voor Nederland. In die zin was Jeroen Bosch ook een natuurvorser die dieren nauwkeurig schilderde en hiervoor inspiratie vond in de natuur van zijn directe omgeving, al dan niet in kooitjes of bij de poelier.

Het prominentste rijtje inheemse vogels staat dicht bijeen op het middenpaneel dat als schijnparadijs te boek staat. Het zijn bosuil, hop, ijsvogel, groene specht, roodborst, putter en wilde eend. De putter voert een braam aan hongerige monden. Verderop doet een Vlaamse gaai hetzelfde met een rode bes. Een prachtige, natuurgetrouwe weergave van een krakeend voert ook een rode vrucht. Bijna al die vogels worden bereden of beroerd door naakte mensen, maar van bestialiteiten is wonderwel nergens sprake. De wilde eend, symbool van drankzucht en domheid, is slechts de matras van een voorzichtig vozend paar. Hoewel alle mensen die Bosch schilderde jong en bloot zijn en de erotiek overduidelijk is, vinden nergens expliciete seksuele handelingen plaats. De enige harde seks lijkt zich af te spelen tussen de kleppen van een mossel – een subtiele verwijzing naar het vrouwelijk geslachtsorgaan. Veelvuldig in vruchtvlees bijtende mannen hebben dezelfde symboliek.

Lepelaars schilderde Bosch ook nauwkeurig, op de rug van een witte geit en dansend op de hoofden van weer die badende vrouwen. Die vogelsoort werd destijds dankzij zijn lepelvormige snavel geassocieerd met overmatig drankgebruik (‘lepelen’) en kwaadsprekerij.

Op het rechterpaneel worden zondaren gestraft in een hels inferno. Beesten verschijnen hier in de gedaanten van draken en monsters. Het zijn beulen of op zijn minst plaaggeesten. De mooiste is een ranke, blauwe mannetjesfiguur met de gestalte van een kikvors en een vogelkop die het midden houdt tussen die van een valk en een nachtzwaluw. Het monster zit met de poten in kruiken op een troon annex kakstoel en verorbert een mens. Uit de anus van dit slachtoffer ontsnapt een donkere gaswolk en een vlucht (gier)zwaluwen. Eerdere prooien verlaten het gedrocht keurig via het achterste in een luchtbel en verdwijnen diep in een gierput waar zijdelings ook nog lustig in gebraakt en gepoept wordt. Het is geen feest. Ook hier duiken weer lepelaars op, maar nu in menselijke gedaanten – in een monnikspij met geheven, bestraffende vinger of als gevangenbewaarder die verdoemden met schild en pijl-en-boog naar het vagevuur begeleidt. En dan is er de lepelaar die vermomd als schaatsenrijder met zijn boog over de schouder en pijlen in de laars met ferme slagen voorbij zwiert. Het mannetje doet denken aan de verschrikkelijke sneeuwman maar de lepelaarskop geeft hem iets koddigs. Precies dat vleugje humor geeft Bosch’ beestachtige hel nog iets dragelijks.

Het Natuurmuseum Brabant in Tilburg sluit aan bij de Bosch Grand Tour met De dieren van Jeroen Bosch. In de familietentoonstelling komen de dieren van de Tuin der Lusten, De marskramer en De hooiwagen tot leven dankzij fantasiedieren van de kunstenaars Sjon Brands en Neige én opgezette dieren uit de eigen collectie.