Na 500 jaar weer thuis in Den Bosch

Den Bosch wilde Bosch-jaar 2016 vieren met een grote expositie. Charles de Mooij wist het grootste deel van het oeuvre van Jheronimus Bosch naar de stad te halen.

Bijna niets is er van Jheronimus Bosch bewaard gebleven in Den Bosch, de stad waar hij geboren werd en tot zijn dood woonde. Alleen zijn naam is er nog, geschreven in het archief van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, waarvan de schilder lid was. Dat religieuze genootschap, dat nog steeds bestaat (de koninklijke familie is er lid van), heeft ook nog twee fragmenten van een retabel, een altaarwand die Bosch samen met de Utrechtse beeldhouwer Adriaen van Wesel vervaardigde voor de kapel van de broederschap. Maar die fragmenten bestaan uit beeldhouwwerk van Van Wesel, niet uit tekeningen of schilderwerk van Bosch.

Ondanks het gebrek aan zichtbare sporen van Bosch, wilde de gemeente zijn 500ste sterfdag dit jaar groots vieren. Het idee kwam vooral van burgemeester Ton Rombouts: 2016 moest Bosch-jaar worden, vond hij. Dat kon natuurlijk niet zonder een grote expositie. In 1967 was het de stad ook gelukt zes authentieke schilderijen van de oude meester terug te halen naar Den Bosch. Prinses Beatrix opende de tentoonstelling destijds en er kwamen 267.000 bezoekers. Talloze Boschenaren bewaren hier herinneringen aan: ze gingen als schoolkind kijken of werkten er als vrijwilliger.

Het was geen makkelijk verzoek dat Charles de Mooij, directeur van Het Noordbrabants Museum, kreeg. „Wij hebben enkel werk van navolgers. In onze vaste presentatie vertellen we waarom de stad niets van Bosch heeft. De laatste werken zijn waarschijnlijk begin achttiende eeuw uit de stad verdwenen. Hij was in zijn eigen tijd al een gewilde schilder. Filips de Schone kwam waarschijnlijk bij hem thuis en gaf hem opdrachten. Na zijn dood werd zijn werk verzameld door de Spaanse koning Filips II.”

Het enige Nederlandse museum dat werk van Bosch bezit, is Boijmans Van Beuningen. Dat organiseerde in 2001 een tentoonstelling over Bosch. „Dat vond men in Den Bosch nogal pijnlijk. Telkens kreeg ik de vraag om weer een echte Bosch-tentoonstelling te organiseren.”

In 2007 sprak hij erover met Jos Koldeweij, hoogleraar aan de Radboud Universiteit. Die had de Rotterdamse expositie gemaakt. „Wij kenden hem goed, omdat hij voor ons onder meer een expositie over de glorietijd van Den Bosch in de zestiende eeuw had gemaakt”, zegt De Mooij. „Al pratend kwamen we op het idee een onderzoeksproject op te zetten. Musea die meewerkten, konden we vragen om bruiklenen. In ruil zouden wij de werken restaureren.”

De gemeenteraad stemde ermee in om 8 miljoen euro in het Boschjaar te investeren. Daar kwam 5 miljoen bij van de provincie, 5 miljoen van het Rijk en ook nog geld van de BankGiroLoterij en tal van fondsen. „De tentoonstelling kost zo’n 6 à 7 miljoen euro, het onderzoek rond de 3 miljoen”, zegt De Mooij. „De rest van het geld is voor andere activiteiten, want het is niet alleen een tentoonstelling, het wordt een echt jubeljaar. Zelfs De Efteling doet mee.”

Om de schilderijen bij elkaar te halen, reisden De Mooij en de onderzoekers de hele wereld over. „Ik begon nooit meteen begonnen met vragen om een bruikleen”, zegt hij. „Alleen in de VS zijn ze zo direct. Daar zeiden ze, toen ik kwam vertellen over het onderzoek: ‘Jullie willen ons schilderij zeker ook lenen voor de tentoonstelling?’ Dat vonden ze gelukkig geen enkel probleem.”

De Mooij kreeg wel enkele teleurstellingen te verwerken. Zoals die keer dat hij een hele dag door de superintendant van de Gallerie dell’Accademia in Venetië op sleeptouw was genomen. „Ik ging naar huis met het idee: nu heb ik drie schilderijen toegezegd gekregen. Drie weken later bleek dat de superintendant was ontslagen. Kon ik weer van voren af aan beginnen.”

Een ander vervelend moment was toen hij hoorde dat Boijmans De Hooiwagen van het Prado te leen zou krijgen voordat het topstuk in Het Noordbrabants Museum te zien zou zijn. De verhouding met het Prado lag sowieso gevoelig, want het museum werkte ondertussen aan een eigen grote tentoonstelling die op 31 mei in Madrid opent.

„We hebben een aantal tekeningen laten schieten ten faveure van het Prado”, zegt De Mooij. „We hadden die al toegezegd gekregen uit Berlijn en Parijs. Maar als je een topstuk als De Hooiwagen wilt lenen, moet je daar ook iets tegenover stellen. Dat is het ons wel waard.”