‘Mijn verbeelding kunnen ze niet stoppen’

(58) is schrijver en nam deel aan de Egyptische opstand in 2011. Hij zag dat het volk koos voor brood in plaats van vrijheid. ‘De meeste mensen zijn geen helden.’

‘Geen idee wat ik aantref als ik over een paar weken weer naar Kairo ga”, zegt Alaa al Aswani. „Mijn vrienden zijn naar het buitenland gevlucht of gearresteerd. Het is verschrikkelijk om je iedere ochtend af te moeten vragen wie er nu weer zal worden opgepakt.” 

De Egyptische schrijver-tandarts, met zijn luide, donkere stem en bokseruiterlijk, is in Den Haag om zijn nieuwe roman De Automobielclub van Caïro te promoten. Het verschijnt na zijn eerste boek, het wereldwijd succesvolle Het Yacoubian. Hierin schetst hij een portret van Egypte aan de hand van de bewoners van een flatgebouw in het centrum van Kairo. Ook was Al Aswani een van de voormannen van de Egyptische Lente. Hij schreef erover in The New York Times en The Guardian, maar ook in Arabische media. Nu legerleider Sisi aan de macht is, wil geen Egyptische krant zijn artikelen nog plaatsen, geen televisiezender in zijn vaderland laat hem aan het woord. „Maar mijn verbeelding kunnen ze niet stopzetten”, zegt hij.

Zijn nieuwste boek vond in Egypte gretig aftrek. De Automobielclub van Caïro speelt zich af in de jaren veertig op de exclusieve club van autobezitters waarvan alleen Britten en andere Europeanen lid konden worden. Maar ook de Egyptische koning Faroek I (1920-1965) is er een graag geziene gast. In de roman gaat hij zich te buiten aan spijs en drank, slaapt met de mooiste, speciaal voor hem geselecteerde meisjes.

De Brit James Wright, directeur van de Automobielclub, vertegenwoordigt de racistische Europeaan die alle Egyptenaren ‘vies, lui en leugenachtig’ vindt. Zijn belangrijkste ondergeschikte is Akoe, een Nubische Soedanees, die de baas is van de bedienden van alle koninklijke paleizen en bekend staat om zijn wreedheid. De roman gaat in essentie over machtsstructuren, over de strijd tussen bazen en ondergeschikten en toont een waaier aan dilemma’s.

Aswani’s vader werkte als advocaat voor de Automobielclub: „In de jaren zestig ging ik wel eens met hem mee en bracht ik de dag door bij de bedienden. Ze hadden allen voor de koning gewerkt en vertelden verhalen over hem. Ik heb zijn speelkaarten gezien. In mijn neus heb ik nog de verdwenen geuren van toen.

„Wat me aanzette deze roman te schrijven was het gevoel dat de strijd van toen tot op de dag van vandaag woedt. Het is een een gevecht voor menselijke waardigheid.”

Het portret dat Aswani schetst van koning Faroek is historisch gezien juist. „Ik wil geen onzin verkopen”, zegt hij, „maar onder die lagen kan ik, met respect voor de geschiedenis, fictie schrijven. Faroek was een slechte koning, hij deed voortdurend domme dingen. Hij voelde aan dat hij verjaagd zou worden. Toen de staatsgreep plaatsvond in 1952, was hij bijna opgelucht. Dat zie je vaak aan het eind van een tijdperk. Met Mubarak was het net zo. Aan het einde was hij volstrekt los van de werkelijkheid en verkeerde alleen nog in zijn eigen luchtbel.”

Aan de hand van uw personage Akoe, die enerzijds vazal is en anderzijds zelf dictator, schetst u de dilemma’s van de Egyptenaar van nu. Hij mishandelt zijn bedienden. Een paar protesteren, waarna ze door hun collega’s in de steek worden gelaten.

„Akoe is een machtig man, hij is de dienaar van de koning én de koning van de bedienden. Wat zich in de roman afspeelt, gebeurt nu in Egypte. Na Mubaraks val zei een aantal mensen ook dat hij niet zo behandeld mocht worden, dat hij onze ‘vader’ was. In zijn Het vertoog over de vrijwillige onderdanigheid stelt de Franse socioloog Étienne de La Boétie dat twee generaties zich aan een dictatuur aanpassen, maar dat de derde zal vechten voor de vrijheid en in opstand zal komen tegen de dictator én haar eigen ouders. Zo ook in Egypte: twintig procent van de bevolking is revolutionair, tien procent heeft banden met het oude regime, de anderen geven de voorkeur aan stabiliteit. Als zij moeten kiezen tussen brood en veiligheid of vrijheid en waardigheid, kiezen ze voor het eerste.”

Begrijpt u dat mensen die geslagen en mishandeld worden, het toch moeilijk vinden om hun lot in eigen handen te nemen?

„De meeste mensen zijn geen helden. Op het Tahrirplein, tijdens de revolutie van 2011, wilde maar tien procent echt zijn leven op het spel zetten. De verdedigers van de revolutie kunnen zich op een gegeven moment ook tegen de revolutionairen keren, want zij willen vrede. Dat gebeurt in mijn boek ook.”

Vernedering is ook een thema in uw roman.

„De vernedering van de Arabieren door de Europeanen bestaat. Mr. Wright, de Britse directeur van de Club, zegt wat hij denkt. Veel Europeanen denken net als hij, maar zeggen het niet hardop. Tegelijkertijd heeft een dochter van Wright een tegenovergestelde mening. Ik wilde geen collectief beeld geven van Europeanen, ze zijn niet allemaal zo. Mijn personage Odette, op wie Akoe verliefd is, is joods, open en progressief. Ze is veel intelligenter dan Wright, ze vermaalt hem, ze is menselijk. Dat zie ik als horizon voor onze wereld.”

In uw werk zijn vrouwen sterk en mondig.

„We moeten af van het clichébeeld van de zwakke vrouw. Niet om feministische redenen, maar gewoon omdat dat beeld onwaar is. Op het Tahrirplein waren vrouwen cruciaal. Zij waren het die alles organiseerden, zij stonden vooraan, ze waren voor de duivel niet bang.”

De aanrandingen in Keulen hebben hier vooroordelen over de Arabische man versterkt.

„Wie zulke clichés verwoordt, doet hetzelfde als de terroristen. Zij houden westerlingen collectief verantwoordelijk voor de misdaden van het Amerikaanse leger. Ze denken dat de Fransen op een terras in Parijs verantwoordelijk zijn voor de wreedheden in de Abu Ghraib-gevangenis en voor de verkrachtingen in Irak. Ik ben moslim, maar ik ben niet verantwoordelijk voor de daden van de terroristen. De afgelopen vijftien jaar was negentig procent van de terrorismeslachtoffers van Arabische of Afrikaanse afkomst. Maar zij waren onzichtbaar. Als slachtoffer word je opgemerkt als je in het licht staat, en je staat alleen in het licht als je Europeaan bent.

„De mensen die in Keulen die misdaden hebben gepleegd moet je arresteren en berechten. Het zijn misdadigers, die zijn er overal. Hoeveel zijn het er, tien, honderd? Er zijn miljoenen vluchtelingen! Westerse vrouwen komen naar Egypte voor sekstoerisme. Heb ik het recht om te zeggen dat die vrouwen andere neigingen hebben dan die bij ons? Nee. De verantwoordelijkheid ligt bij het individu.”

U was tijdens de revolutie van 2011 een van de voormannen. Hoe kijkt u terug?

„Die 28 dagen waren de beste van mijn leven. Het was ongelofelijk, ik zag een heel ander soort Egyptenaren. Ik dacht dat ik droomde. De mensen hadden verschillende achtergronden en leeftijden. Ze waren moedig, vastberaden, puur. In 2008 ben ik aan dit boek begonnen, in 2011 ben ik ermee opgehouden. Ik was op straat, anderhalf jaar lang. Daarna heb ik het weer opgepakt. Ik put niet meer uit mijn verbeelding, maar uit mijn geheugen.”

Nu is Sisi president. Bent u teleurgesteld of boos over de afloop van de revolutie?

„Nu is de contrarevolutie aan de macht. Eerlijk gezegd was dat al meteen zo, na de val van Mubarak. Het fascisme van Mubarak en het religieuze fascisme zijn even erg. In de hele geschiedenis komt er na de revolutie altijd een contrarevolutie. Maar de mensen zijn veranderd, ze hebben de barrière van angst doorbroken, ze zullen nooit meer terugdeinzen. De contrarevolutie van nu is nog veel gewelddadiger dan in de tijd van Mubarak. Ze arresteren jongeren, martelen ze. Vroeger waren ze gebroken, maar nu komen ze er moediger en vastbeslotener uit dan ooit tevoren. Ze hebben tijdens de revolutie ongelofelijke momenten beleefd. Ze hebben hun kameraden zien sterven. Ik heb dode jonge mensen weggedragen, met kogels in hun lijf. Dat zijn momenten die zorgen dat je nooit meer dezelfde zult zijn. Wat er nu gebeurt in Egypte is alleen maar tijdverlies. De revolutie komt er toch.”