De hel, dat zijn wij zelf

Peilloos verdriet. Jeroen Bosch. Black. Jetske Mijnssen. Judith van Wanroij.

Judith van Wanroij (in het wit) inOrfeo van Opéra national de Lorraine.
Judith van Wanroij (in het wit) inOrfeo van Opéra national de Lorraine.

Jeroen Bosch, Jheronimus voor zijn vrienden, is hot. In alle opzichten. Hot in de musea die, Het Noordbrabants Museum en het Prado in Madrid voorop, zijn vijfhonderdste sterfdag vieren of het een verjaardag is. Hot in de media. Hot bij het publiek. Bosch is zelf trouwens al vijfhonderdzoveel jaren hot, met die hitsige schilderijen van hem. Er wordt op zijn panelen vol overgave gekweld en geleden op een manier waarvoor de markies de Sade zich twee eeuwen later niet zou schamen. Maar Bosch is beter. Verzinseldieren knorren van wreed genot, een koolmees hangt onaangedaan aan een tak. En de vrome typetjes? Die staan lekker bloot, buik aan zachte buik. Of ze kiezen de mooiste billen en prikken er een roos tussen.

Wat Bosch schildert is vreemd. Psychedelisch. Religieus. Beeldschoon. Melancholiek. Angstaanjagend, mallotig, middeleeuws. En bij dat alles – en dat is het wonder – komt het me toch voor als bekend terrein. Niet dat ik kan zeggen wat hij heeft bedoeld. Dat kan niemand, ook de wijsneuzen van het Bosch Research and Conservation Project gissen maar wat. Maar wel kan ik zeggen wat hij mij zegt.

Hemel- en hellevaart? Natuurlijk. Maar terwijl ik kijk, bekruipt me het gevoel dat ik word gedwongen om mijn ogen te openen voor beproevingen en ellende waar ik liever niet van wist. Ik geniet van de schoonheid van Bosch’ schilderijen, zo ontvlucht ik de werkelijkheid van de wereld, want die is te verschrikkelijk. Desondanks spreekt Bosch de waarheid – en dat weet ik best.

In de indrukwekkende film Black zijn de monsters de leden van elkaar bestrijdende Brusselse gangs. Au fond trieste jongens, intimiderend uitgedost à la Bosch. Geweld is hun taal, vrouwenhaat hun gemeenschappelijke identiteit. De film daalt af in de hel. De gangleden leven zich uit in een groepsverkrachting en een aantal mensen verlaat de bioscoopzaal. Tja. Je kunt weglopen maar dat betekent niet dat rituele wreedheid niet bestaat. Dit is de hel. En die hel zijn niet de anderen, die zijn we zelf, of we dat nou willen weten of niet.

Ik ga naar Nancy. Uit chauvinisme, omdat daar de Opéra national de Lorraine de Nederlandse operaregisseur Jetske Mijnssen uitnodigde om Orfeo (Orpheus) te ensceneren. Van Luigi Rossi, uit 1647, een van de vroegste opera’s uit de geschiedenis en vervolgens zo’n beetje vergeten. Het blijkt een machtig stuk.

Rossi schreef Orpheus’ rol voor een castraat, maar hier wordt hij vertolkt door de sopraan Judith van Wanroij. En mamma mia, wat is ze sexy, samen met Eurydice. Terwijl hun dubbele sopraanpartijen zich verweven, denk ik niet meer in termen van man en vrouw. Wat blijft is klaterende hartstocht.

Het verhaal is bekend. Eurydice sterft, Orpheus kan haar uit de onderwereld terughalen, op voorwaarde dat hij niet omkijkt.

Er komen gedrochten op. Variaties op Jeroen Bosch. Een vrouw met een vissenkop. Ze scharen zich rond de kist van Eurydice. Dit lijkt de onderwereld, maar het is haar begrafenis.

„Mijn Orpheus hallucineert van peilloos verdriet, hij denkt dat hij zijn geliefde terugziet”, vertelt Mijnssen achteraf. „En voor het beeld van zijn waan kwamen we vanzelf uit bij Bosch.”

Even loopt Eurydice met Orpheus mee. Dan stapt ze achteruit, het duister in. Orpheus kijkt om. Niet omdat hij haar wil zien. Hij kijkt om naar de leegte. En dat weet hij.