Castreren

Inge Steenhuis tekent en schrijft over haar geboortestreek Oost-Groningen.

Eén keer per jaar kwam de veearts castreren. Onze honden waren gek op die man als hij zijn castratiekoffertje bij zich had. Ze gingen liggen kwijlen in de slootswal terwijl de eerste verdoving in de hals van de jonge hengst werd gespoten. Het dier werd langzaam omgetrokken, plaatselijk nog een keer verdoofd en de nog warme balletjes werden eruit gesneden. De veearts gooide ze een voor een hoog in de lucht, de honden sprongen.

Het hengstje was de laatste zoon van een oud, moe paard, waar we veel goedverkochte veulens van hadden gehad. Ze zou naar de slager gaan, maar ze mocht nog een jaar blijven voor de oude dag. En voor wat kleine klusjes: we lieten haar voor het laatst een kantje ploegen in zompige grond.

Alle paarden stonden ’s nachts al op stal. Dat najaar stond de moeder van het hengstje op een ochtend niet zacht te hinniken toen we haar haver brachten maar bleef snuivend liggen.

Achter haar lag het kleinste veulen dat ik ooit gezien heb, zo groot als een kat. Wel al met hoeven en een blesje. In een wit vlies, koud en dood. De moeder kon er niet bij want ze was met de kop vastgebonden en had het schuim op de bek van het geworstel aan dat halster. Koud zweet, het oogwit zichtbaar. We maakten haar los, maar ze wilde niets van het veulen weten en draaide zich meteen weg.

Mijn vader bleef maar herhalen: „Ik wist het niet, ik wist het niet.” Ploegen in natte grond en de voorpoten hoog op moeten heffen is slecht voor drachtige merries. We hadden haar expres niet laten dekken, juist om haar te sparen.

Het zoontje had het gedaan. Na zijn castratie. Dat bleek nog wel twee weken te kunnen. Hij was wild, ontembaar. Altijd wijdopen neusgaten, de kop omhoog en nooit slapen. Vanaf zijn geboorte beet en trapte hij naar alles wat bewoog, ook naar zijn moeder. Het was een wonder dat ze hem liet drinken.

Hij is vroeg gespeend en vroeg gecastreerd maar het mocht niet baten; ook zijn latere eigenaars konden niets met hem en hij is jong naar de slager gebracht. Ik denk nog wel eens aan hem en zie zijn leven dan als dat van een popster; snel leven, jong sterven en toch nog kans zien iets na te laten. Ook al was het dan een dood jong bij een oude moeder.