Bosch’ kunst krijg je er gratis bij

De jonge Jeroen dolt op de openingspagina van Bosch nog wat met zijn bal en struikelt dan de afgrond in. Met bal en al, en met pet en rugzak. In het tekstloze prentenboek van Thé Tjong-Khing maakt hij een speurtocht achter die voorwerpen aan, omdat er monstertjes mee vandoor zijn gegaan. Jeroen raakt verzeild in een typische Thé Tjong-Khing-wereld, met weidse grasvlakten en donkere wouden, die nu bevolkt wordt door de diabolische creaturen uit het werk van Jheronimus Bosch.

Daarmee is dit voor kinderen een ideale ingang in de kunst van Bosch: speurend naar de bal, pet en andere verhaallijntjes, krijg je de kunst er gratis bij. Met dat procedé was Thé al vertrouwd en onovertroffen: eerder opende hij in het prentenboek Kunst met taart (2015) de complete kunstgeschiedenis, door zijn personages te laten rondwandelen door de slaapkamer van Van Gogh, het gras van Co Westerik en de steppe van Dalí.

Met Bosch doet hij iets vergelijkbaars, en misschien nog wel beter. Want Thé en Bosch delen een gevoel voor absurde humor, een scherp oog voor detail en een sardonisch grimmig kantje – hun ‘samenwerking’ maakt Bosch tot een van de griezeligste kinderboeken in tijden. Maar de nachtmerrie eindigt zachtaardig én bovenal is het een geweldig zoekboek. De platen van Thé geven hun geheimen niet in één oogopslag prijs, vele verhaallijnen lopen door elkaar. De wonderlijkste en engste monsters – reptielachtige stekelvarkens, draakachtige vogels, uilen – leiden de jonge Jeroen uiteindelijk naar een slangachtige toverkol. Is het een Bosch-kol of een Thé-kol? In Bosch smelten hun twee oeuvres schitterend samen.