‘Criminele jongens zielig vinden helpt niet. Liefde. Dat helpt wél’

Hoe pak je criminele jongeren aan? Zorg voor stevige agenten en begeleiders, zegt Jan Dirk de Jong in zijn lectorale rede.

Hulpverleners moeten net zo stevig zijn als de leiders onder de probleemjongeren, vindt Jan Dirk de Jong. De jongens op de foto komen niet voor in dit verhaal. Foto Evert Elzinga/ANP

„Het is minder soft dan het klinkt”, zegt Jan Dirk de Jong. Hij is lector aanpak jeugdcriminaliteit aan Hogeschool Leiden, maakt deel uit van het Expertisecentrum Jeugd dat daar is opgezet. En donderdag zal hij in zijn lectorale rede zeggen dat er meer verbondenheid nodig is, meer medeleven, ja zelfs het woord „liefde” laat hij vallen – al neemt hij dat direct een beetje terug. Want als je dat woord gebruikt, zegt hij, „lijkt het al snel of je de één of andere softie bent en graag terug wilt naar de tijd van de hippies”.

Softies spelen weinig klaar bij jeugdige criminelen of jongens die tegen de criminaliteit aanhangen, aldus De Jong. „Van zachte armen blijkt niemand gecharmeerd op straat.”

Kapot moeilijk

De Jong promoveerde in 2007 als criminoloog op riskant groepsgedrag met Kapot moeilijk. Als academicus zat hij liever tussen de probleemjongeren op een achterbuurtplein dan achter zijn computer op de universiteit, en dat is zo gebleven.

Onder de jongeren die hij op de pleintjes observeerde, zag hij informele vormen van gezag. Zijn stelling: zulk gezag moet ook aanwezig moet zijn bij de mensen die jongeren willen helpen de straat te verlaten.

Daar heb je niet genoeg aan de formele autoriteit van agent of jongerenwerker, nee het moeten stévige agenten zijn en stévige jongerenwerkers. Ze moeten een beetje uit hetzelfde hout gesneden zijn als de informele leiders onder de jongeren.

Kansloze jongeren

De afgelopen jaren is De Jong overtuigd geraakt van de goede uitwerking van rolmodellen op problematische jongeren. Hij kwam regelmatig jongeren tegen die ondanks een overdonderend aanbod van hulpinstanties niet verder kwamen. Een aantal van hen zat te diep in de criminaliteit, maar anderen werden ten onrechte weggecategoriseerd als kansloos of, in het jargon, „op rood” gezet.

De Jong ziet in zijn eigen onderzoeken dat deze ‘kansloze’ jongeren vaak nog wel degelijk perspectief hebben. Dat het in belangrijke mate schort aan werkelijke verbinding tussen hulpverlenende instanties of welzijnsinstanties en de jongere.

Hij chargeert eventjes. „Zo’n professional heeft soms op papier aan zijn taak voldaan als hij kan zeggen: de jongere is werk aangeboden. Dat kan ook betekenen dat hij een mail heeft gestuurd om te zeggen dat die jongere zich bij het UWV moet melden.”

De afgelopen jaren heeft De Jong genoeg goede hulpverleners en andere helpers meegemaakt – hij noemt ze in zijn rede „professionele passionado’s en niet-professionele rolmodellen” – om conclusies te trekken over wat wel werkt en wat niet. Moeilijke jongeren zielig vinden werkt niet. Als je bij jongeren doorvraagt naar wat de goede mensen anders maakt dan de minder goede hulpverleners, schrijft De Jong, „dan is dat in de eerste plaats dat de jongeren zich door die mensen écht gezien en gehoord voelen”.

Liefde

Op zijn computer laat hij een filmpje zien dat precies toont wat hij wel bedoelt met liefde. Daar is de oudere Deense bokskampioen Poul Kellberg die met zijn gedeukte neus het soort jongens bijstaat waar Jan Dirk de Jong het over heeft.

Ze hebben overvallen gepleegd, ze hebben gevangen gezeten en ze mogen graag in raps laten weten hoe ze dat allemaal hebben overleefd. Maar ze willen vooral een ander, een rustig, een normaal leven – ze weten alleen niet hoe er te komen. „Het is junkiegedrag”, onderstreept De Jong. „Als ze even niet opletten, vallen ze zo weer terug in hun oude gedrag.” Daarom hebben ze iemand nodig die zich met hen verbonden voelt, voor wie het werk niet gedaan is als ze die ene keer wel naar het UWV gaan.

Op het scherm zien we bokser Poul Kellberg loeien tegen één van de jongens als die weer eens te laat is. De jongen loeit niet terug, hij staat niet op en loopt niet weg. Hij luistert. Dat is, zegt Jan Dirk de Jong, omdat die jongen weet dat het Poul echt kan schelen wat hij doet. „Hij is wel boos, maar het is boosheid met liefde.”

En daar is dat woord weer.