Beyond Life

‘Beyond Sleep’ is de vijfde verfilming van een roman van W.F. Hermans, die gefascineerd was door film. Wat had de strijdlustige schrijver er van gevonden, vraagt zijn biograaf zich af.

In een van de laatste shots van Beyond Sleep kijkt Alfred, een jonge geoloog, gezeten in een vliegtuig, op van zijn krant: er is een meteoriet ingeslagen in Noorwegen. Hij keert net terug uit dat land, hij was er om te bewijzen dat de kleine ronde meertjes daar het gevolg zijn van meteorietinslagen. Dat bewijs heeft hij niet kunnen vinden, de lange, barre tocht die hij achter de rug heeft was vergeefs. Hij glimlacht.

Dat doet hij niet omdat het krantenbericht hem alsnog gelijk geeft. De regisseur monteerde een tune onder de aftiteling, we worden als kijker een beetje geholpen bij het interpreteren. Met tere stem zingt Mari Bone Beyond Life: „Was I always searching for /What I found a long time ago?” Het is dus geen bittere maar een milde glimlach, die hoort bij de gelatenheid van iemand die zichzelf en zijn nederlaag lijkt te accepteren.

Daarmee heeft Beyond Sleep een totaal ander einde dan Nooit meer slapen, de roman van Willem Frederik Hermans, waarnaar de film werd gemaakt. Het einde van Nooit meer slapen is een bittere grap. Bij thuiskomst krijgt Alfred manchetknopen van zijn moeder, gemaakt van de kleine meteoriet die hij ooit van zijn vader kreeg. Het onderstreept de troosteloosheid van de jonge geoloog. Hij heeft in alles gefaald. Dus vraag je je af: een film met een andere, goede afloop, zou dat wat geweest zijn voor Hermans?

Scripts en plannen

Hermans is zijn hele leven gefascineerd geweest door het verschijnsel film. De films die hij op jeugdige leeftijd zag, maakten een onuitwisbare indruk op hem, hij heeft veel over films geschreven, en aantal malen heeft hij films verwerkt in zijn verhalen. Ook schreef hij twee filmscripts (Ik zoek een kind en De woeste wandeling) die nooit werden uitgevoerd. Veel plannen die anderen maakten voor verfilming van zijn werk (Ik heb altijd gelijk, Het behouden huis, Hermans is hier geweest, Onder professoren) werden evenmin uitgevoerd.

Vier keer lukte het wel, met De donkere kamer van Damokles (Als twee druppels water, door Fons Rademakers, 1963), Paranoia (Adriaan van Ditvoorst in 1967), De blinde fotograaf (Van Ditvoorst, 1973) en De elektriseermachine van Wimshurst (Erik van Zuylen, 1978). Meestal was Hermans ontevreden over het resultaat. Het minst ontevreden was hij over de verfilming van Paranoia, maar ook dat was ‘een mooi autootje dat niet goed rijdt,’ zo schreef hij in een brief aan Rob Delvigne.

Steeds deden zich dezelfde twee problemen voor. In de eerste plaats vereist de omwerking van verhaal naar script de samenwerking tussen auteur en cineast. Maar Hermans was geen samenwerker. Hij vertrouwde niemand, en zeker niet iemand die met zijn tekst aan de haal ging. Hij zei wel dat een film het boek niet letterlijk hoefde te volgen, maar toen hij De donkere kamer van Damokles omwerkte voor de film werd dit eerder een uittreksel dan een script.

Dus stelde Rademakers voor om zelf het scenario te schrijven. „Wat Hermans wilde was een adequate verfilming van de roman”, zo vatte Rademakers de problemen rond Als twee druppels water samen, „wat ik wilde was het thema van de roman.” Maar daar faalde Rademakers. Alle raadselachtigheid werd uit de roman gehaald en de essentie van het boek werd hopeloos vereenvoudigd.

Hypnotische macht

Het tweede probleem was de samenwerking tussen schrijver en lezer (dan wel cineast en kijker). Want wederom: Hermans zei wel dat schrijvers pas na de uitvinding van de film begrepen hoeveel je aan de fantasie van de lezer kon overlaten, maar zijn praktijk was anders. Hij wilde helemaal niets aan de lezer overlaten, hij wilde zijn lezers aan zich onderwerpen. Hij wilde ‘als een tumor’ in hun hersens doordringen.

Hij wilde zijn lezers hypnotiseren, en in zijn romans lukte hem dat ook, juist door te werken met filmische middelen. In een interview in 1962 ging Hermans uitgebreid in op de concurrentie tussen de roman en de film. Het voordeel van de film was dat de kijker in een donkere zaal zat. „Zijn blik is op één bepaald lichtpunt geconcentreerd en daardoor krijg je, dat van een film een enorme hypnotische macht uitgaat.” Die macht wilde hij ook.

Daarom vroeg hij zich steeds af welke vorm hij moest kiezen, de ik-vorm of de hij-vorm. Zat de verteller in het hoofd van het karakter of keek hij van buiten naar hem? Zijn oplossing was dat beide posities afwisselend ingenomen werden. De verteller die aan het woord is, is nooit alwetend. De verhouding tussen verteller en hoofdpersoon blijft onzeker, en ook de verhouding tussen de verteller en de lezer. De lezer moet aldoor op zijn hoede zijn, gespitst op misleiding, bedacht op verborgen deuren en valkuilen.

Zo worden de onzekerheid en de angst van de karakters overgebracht op de lezer. Evenals zij ervaart de lezer de onwerkelijkheid, de betekenisloosheid van alles. En dat is precies wat Hermans beoogde, ook in Nooit meer slapen. Op een bepaald moment realiseert Alfred zich, dat hij heel even kan kijken onder de sluier die over het hele leven ligt: „dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben en dat alle bewustzijn, alle wil, hoop en vrees alleen maar manifestaties zijn van het mechanisme waarvolgens de menselijke moleculen zich bewegen in de peilloze kosmische materiedamp.”

Dat is het thema van de roman. Maar niet van de film. De film geeft veeleer het proces van iemand die zichzelf leert kennen en accepteren. Wat voor Hermans een melodrama was, is een soort Bildungsroman geworden.

Achterdocht en angst

Toch is de film een feest van herkenning voor de Hermans-lezer. Met grote zorgvuldigheid is omgesprongen met details. De dominante rol van het landschap bleef intact, de achterdocht, de angst en de monomanie van de hoofdpersoon komen uitstekend tot hun recht. Alfred telt dwangmatig zijn stappen (hij is wetenschapper, hij moet toch iets tellen!) en dat is zeer functioneel. (De oorspronkelijke titel van de roman was De schredenteller.)

Een van de mooiste scènes is de woedende monoloog van Alfred tegen een oude Noorse professor, die niet in zijn theorie gelooft en hem tegenwerkt door hem materiaal voor zijn onderzoek (luchtfoto’s in dit geval) te onthouden. Dit is helemaal Hermans, die van zichzelf (of liever van een fictioneel alter ego) zei: „Altijd als ik ergens naartoe onderweg ben, dicteer ik mijzelf hele essays die ik nooit opschrijf en ik mij daarom jarenlang opnieuw dicteer. Voor mij geen monologue interieur à la Joyce, ik leraar, doceer, oreer.”

De verhaallijn werd dus gehandhaafd, niet het thema. Het landschap is overweldigend, maar ook heel MOOI (dat witte mos op die donkere stenen, die donkere stenen in die zachtgroene toendra). Alfred pleegt in gedachten menige moord, maar moorddadig als in Nooit meer slapen is hij niet. Is dat erg? Iedereen die het boek gelezen heeft zal zich die vraag stellen. En Hermans? Ik denk dat hij weer bezwaar zou hebben gehad. Maar dat hij dit toch de mooiste verfilming van zijn werk tot nu toe gevonden zou hebben.