De tien vragen over Syrië die je niet durfde te stellen

Aan de oorlog in Syrië lijkt geen einde te komen. Wij gaan even terug naar het begin, omdat het onderwerp na jaren zo ingewikkeld is geworden dat het niet vreemd is als je ergens afgehaakt bent. Wat is er nu precies aan de hand? Wie is Assad, wie vechten er tegen hem en waarom grijpen we niet in?

Oktober 2012: een man draagt een vrouw weg uit haar verwoeste huis in Aleppo. Foto AFP / Zac Baillie

In 2011 begon die burgeroorlog in Syrië. Wat begon met kinderen die graffiti spoten, is nu een oorlog die zo ingewikkeld is geworden dat het niet vreemd is als je ergens in de afgelopen jaren afgehaakt bent. Wat is er nu precies aan de hand? Wie is Assad, wie vechten er tegen hem en waarom grijpen we niet in? Geïnspireerd door dit uitstekende stuk van The Washington Post: de tien vragen over Syrië die je niet durfde te stellen.

1. Tien vragen. Kan het niet in ééntje?

Goed - een poging om het conflict in één keer uit te leggen.

Syrië is een land waar één partij, de Ba’ath-partij, sinds 1970 aan de macht is en iedereen die kritiek heeft onderdrukt. Zoiets hoor je vaker over landen in het Midden-Oosten, maar in Syrië gaat dat zelfs voor die maatstaf ongehoord ver: de geheime politie drukt op genadeloze wijze alle oppositie de kop in, uit naam van president Bashar al-Assad. Dat is in het kort wat je moet weten over Syrië zoals het er begin 2011 voor stond.

Inhoudsopgave

Klik op een vraag om direct naar dat punt in het stuk te springen.

1. Tien vragen. Kan het niet in ééntje?
2. Wat is Syrië?
3. Wie is Assad?
4. Hoe is de onrust begonnen?
5. Hoe werd dat protest een oorlog?
6. Wie vechten er nu tegen Assad?
7. Welke rol speelt de Islamitische Staat?
8. Wie wint er?
9. Wat doet de wereld om de oorlog in Syrië op te lossen?
10. En nu?

Toen begon ‘de Arabische Lente’. En wel met de daad van één man: in Tunesië stak een straatverkoper zichzelf in brand uit protest tegen allerlei misstanden: armoede, werkloosheid, corruptie, onderdrukking. Het werd het begin van protesten in heel Tunesië, die oversloegen naar andere landen in de regio, overal met als doel de autoritaire leider, die als schuldige voor die misstanden werd gezien, te verdrijven. Na Tunesië kwam Egypte, toen Jemen, Libië en vanaf half maart ook Syrië.

In Libië en Syrië had dat de meest dramatische gevolgen. In Tunesië en Egypte werden de dictators na een paar weken afgezet. Maar in Libië brak een burgeroorlog uit tussen het leger van dictator Moammar Gaddafi en een verzameling lokale milities. Die werd gewonnen door de milities, die luchtsteun kregen van het Westen. Maar na de val van het regime weigerden ze hun wapens in te leveren en begonnen ze onderling te vechten. Deze burgeroorlog gaat nog steeds door en biedt een toevluchtsoord voor terroristen.

Ook in Syrië werd het vreedzame protest door het regeringsleger vanaf het begin beantwoord met fors geweld. Bashar al-Assad was niet van plan te vertrekken. In tegendeel: zijn leger schoot met scherp op burgers die durfden te demonstreren. Maandenlang kwamen er elke dag mensen om het leven. De betogers hoopten dat het Westen zou ingrijpen. Toen dit uitbleef, veranderde de aard van de onrust. Er braken steeds meer gevechten uit tussen het leger en gedeserteerde soldaten, die uit woede over over het neerslaan van de protesten de wapens opnamen tegen het regime.

Het door alawieten (een religieuze minderheid) gedomineerde regime creëerde een angstbeeld van een religieuze oorlog als het er niet meer zou zijn. Met name bij de andere religieuze minderheden vonden ze daarvoor gehoor. Het was een self fulfilling prophecy. Door de gruweldaden van het regime, de komst van buitenlandse shi’itische hulptroepen, en de toestroom van sunnitische extremisten werd de oorlog inderdaad in toenemende mate een religieus conflict van sunnieten tegen shi’ieten, naast de opstand van oppositie tegen regime. Zo is het vandaag de dag nog steeds.

De belangrijkste bondgenoten van Assad zijn:

  • Iran, een shi’itische bondgenoot van Syrië. Die goede band komt voort uit een gedeeld vijandschap tegen Saddam Hussein, die tussen 1979 en 2003 president van Irak was en in 1980 Iran binnenviel. De daaropvolgende oorlog duurde acht jaar en kostte miljoenen levens. Iran steunt Assad met militaire adviseurs, een klein aantal troepen en miljarden dollars.
  • Rusland, omdat Syrië sinds de Koude Oorlog een bondgenoot is en een strategisch belangrijke marinebasis van Rusland in het land is gevestigd. Moskou is de belangrijkste leverancier van wapens aan het Syrische leger. In oktober lanceerde Rusland een luchtoffensief in Syrië om het verzwakte regime van Assad te stutten.
  • Hezbollah, een shi’itische, Libanese beweging die duizenden strijders naar Syrië stuurde om mee te vechten met het leger. Hezbollah heeft nauwe banden met Iran, dat de organisatie heeft opgericht in 1982. Hezbollah steunt Assad niet zozeer uit religieuze motieven, maar vooral omdat Syrië een doorvoerland is voor wapens uit Iran.

De Syrische oppositie is sinds het begin van de oorlog hopeloos verdeeld. Het Vrije Syrische Leger is een allegaartje van rebellenbrigades zonder centraal bevel. En er is de politieke oppositie, die vanuit het Turkse Istanbul opereert onder de naam Syrische Nationale Coalitie (SNC). De belangrijkste steun voor de oppositie komt van:

  • Het ‘Westen’, en dan met name de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk. Zij zien in de SNC de officiële vertegenwoordiging van het Syrische volk. Wat ze met het Vrije Syrische Leger moeten, is een stuk ingewikkelder. Er werd lang getwijfeld over het sturen van wapens, omdat die in handen konden vallen van extremistische groepen. Maar dit wordt inmiddels wel gedaan – zij het mondjesmaat. Ook hadden de VS een trainingsprogramma van 500 miljoen dollar voor gematigde rebellen, maar dit is uitgelopen op een fiasco.
  • Turkije, dat als buurland goede banden met Syrië onderhield vóór de oorlog. Nu wil Turkije dat Assad het veld ruimt. Turkije bood onderdak aan gedeserteerde soldaten van Assads leger. Istanbul is bovendien, zoals gezegd, de thuisbasis van de oppositie, de Syrische Nationale Coalitie.
  • Qatar, dat overwegend sunnitisch is. Het steunt het Vrije Syrische Leger (en andere rebellen groepen) met geld en wapens en probeert invloed uit te oefenen op de politieke oppositie.
  • Saoedi-Arabië, ook sunnitisch. Het is een van de grootste leveranciers van geld en wapens is voor het Vrije Syrische Leger (en andere rebellengroepen) en heeft veel invloed op de politieke oppositie.

Kortom, heel veel landen bemoeien zich met het conflict. Maar geen van allen gooit zoveel gewicht in de strijd dat het conflict beslissend wordt beïnvloed. Dus gooien ze in feite alleen maar olie op het vuur. De toestroom van wapens en strijders uit het buitenland, en de religieuze haat maakt de oorlog alleen maar langer, bloediger en moeilijker oplosbaar. Wat resulteert is een bloedige patstelling.

Maar om het echt goed uit te leggen, hebben we meer tekst nodig.

2. Wat is Syrië?

Syrië is een land met 22,5 miljoen inwoners (volgens de CIA in juli 2013) in het Midden-Oosten. Het grenst in het noorden aan Turkije, in het oosten aan Irak, in het zuiden aan Jordanië en in het westen aan de Middellandse Zee, Libanon en Israël. Syrië heeft een oppervlakte van ongeveer 185.000 vierkante kilometer en is daarmee ongeveer vijf keer zo groot als Nederland. Het is een stuk minder dichtbevolkt: er wonen gemiddeld 121 mensen per vierkante kilometer, in Nederland 450.

Voor de opstand begon, was Syrië een voor buitenlandse toeristen bijzonder land: de reusachtige Omayyaden-moskee in Damascus, de citadel in Aleppo en de (pre-)Romeinse oudheden in Palmyra. Maar toen was Syrië óók al een land waar de bevolking gebukt ging onder keiharde repressie.

Acht belangrijke steden

Aleppo

De grootste stad van Syrië. Het bleef er lange tijd - tot aan juli 2012 - rustig, maar inmiddels is de stad ook een slagveld waar regeringstroepen en rebellen elkaar bevechten.

Latakia

Een bolwerk van de alawieten in Syrië. De Assad-familie komt oorspronkelijk hier ook uit de buurt.

Raqqa

De ‘hoofstad’ van het zelf-verklaarde kalifaat van de sunnitische terreurgroep Islamitische Staat.

Tartus

Speelt een rol in het conflict omdat Rusland er een strategisch belangrijke marinebasis heeft, waar nog regelmatig schepen afmeren.

Hama

Hier vond in 1982 een slachting plaats door het Syrische leger, omdat de sunnitische Moslimbroederschap in opstand was gekomen tegen de Ba’ath-partij van Hafez al-Assad, de vader van Bashar. Begin 2011 sprongen de protesten tegen Bashar al-Assad ook over naar Hama.

Homs

Al snel na het begin van de protesten gingen Syriërs ook in Homs de straat op. Het oude centrum van de stad is na jaren van strijd grotendeels kapotgeschoten.

Damascus

De hoofdstad van Syrië en de thuisbasis van president Assad. In augustus 2013 vond er een aanval met chemische wapens plaats in een buitenwijk van de stad.

Deraa

Hier begonnen in maart 2011 de protesten. Heel veel inwoners zijn in de afgelopen jaren naar Jordanië gevlucht: net over de grens is vluchtelingenkamp Zaatari.

Het is, om de situatie in Syrië te begrijpen, belangrijk dat je weet dat bijna alles zich afspeelt in een strook van zeven steden in het westen van het land, plus Raqqa. Van noord naar zuid zijn dat: Aleppo, Latakia, Tartus, Hama, Homs, Damascus en Deraa. Dat zijn de vijf grootste steden van het land, plus de havenstad waar Rusland een marinebasis heeft (Tartus), de ‘hoofdstad’ van het IS-kalifaat en de uiterst zuidelijke stad waar het allemaal begon (Deraa).

De landsgrenzen van Syrië zoals we die vandaag kennen, werden in 1920 getrokken nadat Frankrijk en Engeland in de Eerste Wereldoorlog (gesteund door Arabische opstandelingen) het gebied hadden veroverd op de Ottomanen, die het land daarvoor 400 jaar in handen hadden. Dat er door de Europese grootmachten min of meer willekeurig grenzen werden getrokken, zorgde ervoor dat verschillende religieuze en etnische groeperingen plotseling landgenoten waren, ook al hadden ze vrijwel niets met elkaar gemeen.

Frankrijk bleef in Syrië tot 1946, waarna het land, divers als het was, onafhankelijk werd.

Die verschillen tussen bevolkingsgroepen spelen ook een rol in de burgeroorlog. Dit is ongeveer de verdeling (volgens een rapport uit 2006): 74 procent sunnieten (van wie 10 procent Koerden, zie vraag 6), 13 procent shi’ieten (met de alawieten veruit als belangrijkste subgroep), 10 procent christenen en 3 procent druzen.

De christenen woonden vooral in de twee grootste steden, Aleppo en Damascus. De alawieten wonen merendeels in de provincie Latakia, aan de westkust. Sunnieten wonen door het hele land.

Het verschil tussen sunnieten en shi’ieten is op veel plekken in het Midden-Oosten belangrijk. Beiden behoren tot de islam, maar al zolang als dat geloof bestaat, is er een verschil tussen de twee (een beetje zoals er een verschil is tussen protestanten en katholieken). Mohammed, die door moslims wordt beschouwd als profeet en boodschapper van God, stierf in 632. Wie moest hem opvolgen? De profeet was daar zelf bij leven niet duidelijk in geweest.

Zijn goede vriend Abu Bakr was als opvolger gekozen, maar sommige gelovigen waren het daar niet mee eens. Zij vonden dat Mohammeds neef Ali hem moest opvolgen. Zijn aanhangers kregen de naam ‘de partij van Ali’, shi’at Ali, waaruit de shi’ieten voortkomen. De volgelingen van Abu Bakr werden de sunnieten.

Een kleine 90 procent van de ruim 1,5 miljard moslims zijn sunnieten, 10 procent shi’ieten. De twee stromingen delen de basis – geloofsbelijdenis, gebed, vasten, liefdadigheid en pelgrimage naar Mekka – maar er hebben zich zich ook verschillen in theologie en religieuze praktijken ontwikkeld. Zowel sunnieten als shi’ieten tellen substromingen, zoals de ultra-conservatieve wahabieten bij de sunnieten en de alawieten bij de shi’ieten.

3. Wie is Assad?

De huidige Syrische president Bashar al-Assad werd in september 1965 geboren als tweede zoon van Hafez al-Assad, die toen president was. Bashar was niet zo geïnteresseerd in politiek, maar dat gaf niet: zijn oudere broer Bassal was de beoogde opvolger van hun vader. Bashar ging geneeskunde studeren en werkte daarna een aantal jaren als arts in een legerziekenhuis, waarna hij in 1992 naar Londen verhuisde voor een specialisatie: hij wilde oogarts worden.

De toekomst die hij voor zichzelf zag, werd echter abrupt een halt toegezegd toen Bassal bij een auto-ongeluk in 1994 om het leven kwam. Nu was Bashar plotseling de oudste zoon van de president van Syrië. Hij keerde terug om zich op zijn aanstaande positie voor te bereiden. In 2000 overleed Hafez en werd Bashar president. Hij was toen slechts 34 jaar oud.

Assad in oktober 2013, tijdens een interview met Turkse media. Foto EPA / SANA
 

Maar dat was misschien niet het antwoord waar je op hoopte. Want eigenlijk is de vraag: wie is die man die verantwoordelijk is voor zoveel doden onder zijn eigen bevolking, en waarom doet hij dat?

Bij de eerste vraag schreven we al dat de Ba’ath-partij van Assad sinds 1971 aan de macht is. Toen pleegde Bashars vader Hafez een staatsgreep en riep hij Syrië uit tot een militaire dictatuur onder leiding van die partij. De Ba’ath-partij is van oorsprong seculier (niet aan een geloof gebonden) - daar voelden minderheden zoals christenen en shi’itische alawieten, zoals de familie Assad, zich thuis. Er was wel een sunnitische elite die om economische redenen gelieerd was aan het regime. Maar de belangrijkste leden van het regime zijn alawieten omdat je familie en vrienden in crisistijd nu eenmaal meer vertrouwt.

Hafez benoemde zichzelf voor het leven tot staatshoofd. Anderen hadden maar te gehoorzamen. Deden ze dat niet, dan gebruikte Hafez bruut geweld. In 1982, in Hama, was er een gewapende opstand van de sunnitische Moslimbroederschap. Hafez reageerde met artillerie en bulldozers. Niemand weet hoeveel mensen daarbij stierven, maar volgens mensenrechtenorganisaties waren het er tien- tot dertigduizend

Dat land erfde Bashar dus toen zijn vader in 2000 stierf. Aan hem één taak: aan de macht blijven, desnoods ten koste van alles.

Veel gebeurde er lange tijd niet. Tot begin 2011. Syrië had toen veel problemen die ook in andere Arabische landen bestonden: een zeer jonge bevolking, een hoge (jeugd)werkloosheid, corruptie en een autoritair bewind. In vergelijking met Egypte en Tunesië was Syrië zelfs nog strenger: oppositiegroepen starten was onmogelijk en de geheime diensten hielden elke vorm van verzet nauwlettend in de gaten, om het zo nodig meteen de kop in te kunnen drukken. Allemaal, dus, om de macht te beschermen. En daar is Assad nu nog steeds mee bezig.

Eigenlijk wordt Syrië dus al veertig jaar geregeerd door een kleine religieuze minderheid. De alawieten waren van oudsher tweederangsburgers, en hebben van het regime geprofiteerd. Zij hebben dus veel te verliezen. Dat is een goede reden om bij het regime te blijven. Misschien belangrijker is hun groeiende overtuiging, nu de opstand is geradicaliseerd, dat op de val van het regime een bloedige afrekening met hun gemeenschap volgt.

4. Hoe is de onrust begonnen?

Je herinnert je waarschijnlijk wel dat er begin 2011 veel gesproken werd over ‘de Arabische Lente’. Daarmee werd bedoeld dat in meerdere Arabische landen (met Tunesië, Egypte en Libië en Jemen als belangrijkste) mensen de straat op gingen. Ze deden dat uit protest tegen de hoge (jeugd)werkloosheid, de hoge voedselprijzen, de corruptie, de schending van mensenrechten en de onderdrukking door een autoritair bewind. Media begonnen de opstand ‘de Arabische Lente’ te noemen, omdat het volk iets deed wat voorheen ondenkbaar leek: zich massaal verzetten tegen de eigen dictator. Sterker nog: het had effect.

“Nu is het jouw beurt, dokter”, schreven ze op de muur.

Het begon in december 2010 in Tunesië, gevolgd door Egypte (half februari 2011) en Libië (idem). Syrië bleef relatief lang achter, omdat protesteren daar nog gevaarlijker was dan in de eerder genoemde landen. Niemand was vergeten wat Hafez al-Assad, de vader van Bashar, in 1982 aanrichtte in Hama (zie vraag 2). Op Facebook werd in februari 2011 wel opgeroepen tot twee ‘dagen van woede’ in Syrië, maar daar kwam uit angst voor hard optreden van Assads agenten vrijwel niemand op af.

In maart 2011 gebeurde er iets waardoor het protest toch op gang kwam. In de uiterst zuidelijke stad Deraa, in een van de armste gebieden van het land, ging een groep van vijftien jongens, tussen de 10 en 15 jaar oud, ‘s nachts de stad door om leuzen op gebouwen te schrijven (hier een foto van een school waarbij de jongens dat deden). Inmiddels waren de presidenten van Tunesië en Egypte al opgestapt na de massale protesten in hun land. De jongens schreven “Nu is het jouw beurt, dokter” verwijzend naar Assad, die voor hij president werd geneeskunde studeerde.

De jongens werden de volgende dag opgepakt. Enkele dagen later werden ze weer vrijgelaten, maar het was overduidelijk dat ze tijdens hun gevangenschap flink mishandeld waren.

Het was de vlam in de pan. Op 18 maart 2011, een dag na de arrestatie van de jongens, gingen duizenden moslims in Deraa na het vrijdaggebed de straat op om te eisen dat de jongens weer werden vrijgelaten. Die dag begon in feite de Syrische oorlog: agenten in burger gebruikten waterkanonnen, traangas en zelfs geweervuur als verweer tegen het protest. Er kwamen vier mensen om het leven.

Amateurbeelden van Deraa, 18 maart 2011: volgens Syria Deeply is dit de eerste dode van de protesten.

Dat er mensen werden gedood door Assads veiligheidstroepen, weerhield de bevolking er niet van opnieuw te gaan protesteren. Sterker nog: nu was het hek van de dam. De opstand sloeg over naar andere steden in het zuiden van het land, inclusief buitenwijken van de hoofdstad Damascus. Het waren meestal ‘gewone’ mannen, vrouwen en kinderen die de straat op gingen. Elke dag weer. In veel gevallen droegen ze olijftakken, een symbool voor vrede. Ze wilden uitdragen: wij verzetten ons met vreedzaam protest tegen onze regering.

5. Hoe werd dat protest een oorlog?

In steeds meer steden gingen mensen protesteren. De mensenmassa in Deraa kreeg vooral navolging in Hama (waar de opstand in 1982 ook was geweest) en Homs, twee middelgrote steden in het midden van het land.

Het regeringsleger, dat de opstand in de knop wilde breken, reageerde met harde maatregelen. Wat er precies gebeurde was vaak onduidelijk, omdat buitenlandse journalisten niet welkom waren en goede foto’s of onafhankelijke ooggetuigenverklaringen ontbraken. Maar er kwamen via oppositiegroepen en mensenrechtenorganisaties dagelijks berichten naar buiten over nieuwe doden bij demonstraties.

Dat ging maandenlang zo door: overal in het land gingen Syriërs de straat op en dat liep gierend uit de hand omdat Assad, net als zijn vader, elke vorm van protest beantwoordde met exorbitant geweld.

Vanzelfsprekend veranderde daardoor de aard van de protesten. De burgers die uit vreedzaam protest met olijftakken of spandoeken de straat op gingen, maakten plaats voor groepen jonge mannen die zelf ook de wapens oppakten, om terug te kunnen vechten. Veel sunnitische soldaten deserteerden, uit woede over het nietsontziende geweld tegen demonstranten. Bijna alle prominente deserteurs waren sunnieten, vertegenwoordigers van 80 procent van de bevolking. Ook de sunnitische elite die Assads regime de pretentie van een nationaal bewind gaf, liep dus weg. Zo werd het regime langzaam maar zeker gereduceerd tot zijn alawitische kern.

6. Wie vechten er nu tegen Assad?

Gaandeweg werd het dus een gewapend conflict: het regeringsleger tegen een samenraapsel van iedereen die Assad weg wilde hebben en bereid was daarvoor te vechten. Jonge mannen vanuit de bevolking, militairen die overliepen. Maar er stonden ook radicalere groepen op die een islamitische staat in het vaandel hadden, een staat die gebaseerd is op strikte naleving van de islamitische wetgeving, de shari’a.

Er waren jihadistische groepen van buiten Syrië die zich daarom aansloten bij de strijd tegen Assad (wiens Ba’ath-partij zich dus niet aan het geloof en de shari’a committeert), maar ook individuele ‘jihadistische’ jongeren die naar Syrië gingen om mee te vechten (daar waren ook in Nederland voorbeelden van). Zo verschoven de motieven, werd het ook een strijd tussen shi’ieten en sunnieten en werd de strijd onoverzichtelijker.

Saoedi-Arabië en Qatar gingen de opstand financieren, niet om democratie in Syrië te bevorderen maar om af te komen van een belangrijke bondgenoot van hun vijand Iran. Rijke, fundamentalistische particulieren uit de Arabische Golf stuurden tegelijkertijd geld en wapens naar gelijkgezinde strijdgroepen, die de opstand gingen domineren. Eén reden voor die groeiende dominantie van de extremisten was dat de gematigder organisaties hopeloos verdeeld waren, en nog steeds zijn. Een tweede was dat de radicale strijders fanatieker en gedisciplineerder waren. Een derde reden was dat het Westen heel voorzichtig was – en is – met wapenleveranties.

Strijders van het Vrije Syrische Leger in het noorden van de provincie Aleppo, in december 2012. Foto AP / Manu Brabo

 

Onder al die geldschieters uit de Golf was geen sprake van coördinatie, ieder steunde zijn eigen groepen. Dit werd versterkt door de rivaliteit tussen Qatar en Saoedi-Arabië, waarbij de eerste de Moslimbroederschap en aanverwante groepen steunde en de laatste juist rivaliserende islamitische rebellen. Het gevolg is dat de oppositie een lappendeken is van lokale rebellengroepen voortdurend wisselende allianties aangaan. Beweringen over hoeveel strijders er per groep zijn, zijn niet of nauwelijks te controleren. Groepen heffen zichzelf op, beginnen onder een andere naam of sluiten zich aan bij een alliantie. Ze worden vooral gedreven door opportunisme. En behalve tegen het regime vechten ze soms ook tegen elkaar.

Er zijn nu volgens de CIA ongeveer 1.500 strijdgroepen, waarvan 20 tot 30 grote. De meer extreme, fundamentalistische groepen zijn het sterkst en opereren in een groot deel van het land. Voorbeelden zijn Ahrar ash-Sham, Jabhat al-Nusra (het Syrische filiaal van Al-Qaeda), Jaish al-Fatah, het Islamitische Leger, en de Islamitische Staat. Maar het Westen weigert met deze groepen zaken te doen omdat ze zo extreem zijn.

De kleinere, niet-ideologische groepen worden gesteund door het Westen, maar zij hebben alleen lokaal invloed. Het merendeel wordt geleid door stamleiders, die het bevel voeren over een paar duizend man, hooguit, en die wellicht een paar dorpen controleren. Sommigen vechten onder de vlag van het Vrije Syrische Leger, maar velen gehoorzamen aan de sterkere, fundamentalistische groepen die in hun gebied de scepter zwaaien.

En dan is er nog een belangrijke minderheid die een rol speelt in de oorlog: de Koerden, een volk van 35 miljoen mensen met een eigen taal en cultuur, maar zonder land. Ze zijn verspreid over onder meer Turkije, Syrië, Irak (Iraaks-Koerdistan) en Iran. De Syrische Koerden vechten tegen zowel het regime als tegen de extremisten. Ze willen niet meedoen aan de kant van de oppositie, omdat die hamert op de Arabische identiteit, en krijgen daarom vaak het verwijt dat ze in dienst staan van Assad. Maar feitelijk vechten ze voor zichzelf. De Koerden hebben een groot deel van Noord-Syrië veroverd. Daar hebben ze een autonome regio uitgeroepen die Rojava heet, compleet met een eigen vlag, eigen nummerborden en andere nationale symbolen.

Syrische rebellen op straat in Aleppo in januari 2014. Foto AFP / Mohammed Wesam

 

7. Welke rol speelt de Islamitische Staat?

De Islamitische Staat (IS) heeft een hoofdrol opgeëist in de Syrische burgeroorlog. Maar het leiderschap van de groep wordt gedomineerd door Irakezen. De terreurbeweging is voortgekomen uit Al-Qaeda-in-Irak, een sunnitische groep die na de Amerikaans-Britse invasie in Irak werd opgericht om te vechten tegen de bezetters. Al-Qaeda-in-Irak pleegde bloedige aanslagen op Amerikaanse militairen, hooggeplaatste Iraakse leiders en heiligdommen van de shi’ieten, die na de invasie de macht hadden overgenomen van het grotendeels sunnitische bewind van Saddam Hussein.

De groep slaagde er in 2007 in de macht te grijpen in het sunnitische midden van Irak, met name in de opstandige provincie Al-Anbar, die aan Syrië en Jordanië grenst. Maar lokale stammen kwamen in opstand tegen de extreme methodes van de jihadisten. Met geld en wapens van de Amerikanen wisten ze de groep sterk te verzwakken en terug te dringen.

Maar Al-Qaeda was niet verslagen, de groep was alleen ondergronds gegaan. Om de organisatie te versterken werden veel voormalige officieren uit het leger van Saddam Hussein gerekruteerd, onder wie leden van zijn machtige militaire inlichtingendienst. Zij waren na de Amerikaanse invasie ontslagen, waarna ze zich uit woede en frustratie aansloten bij Al-Qaeda-in-Irak, de voorloper van IS.

De burgeroorlog in buurland Syrië bood de groep een kans op een comeback. Onder leiding van Abu Bakr al-Baghdadi werd een plan gesmeed om terrein te veroveren in Syrië, trainingskampen op te zetten, om van daaruit Irak binnen te vallen. Dit blijkt uit documenten van een hoge IS-leider waar het Duitse weekblad Der Spiegel de hand op wist te leggen.

En zo geschiedde. In 2013 veroverden IS grote delen van het noorden en oosten van Syrië. Hoewel IS beter georganiseerd en bewapend was dan veel andere rebellengroepen in Syrië, liet ze de strijd tegen het Syrische regime over aan die andere groepen. In plaats daarvan voerden de jihadisten strategische aanvallen uit op wapendepots en namen ze ‘bevrijde’ gebieden in met oliebronnen, grensposten en handelsroutes. Zaken waaraan ze geld konden verdienen.

Aanvankelijk gedoogden de andere rebellengroepen de opmars van IS. Maar de wrevel nam steeds meer toe. Terwijl de andere rebellen vochten aan het front, concentreerde IS zich op het controleren van gebieden, waar de groep op nietsontziende wijze optrad. Onthoofdingen en kruisigingen werden gefilmd en aan de buitenwereld getoond, zodat iedereen wist dat verzet werd gestraft met een gruwelijke dood.

Toen IS zijn macht in Syrië had gevestigd, richtte de groep zich weer op Irak. De omstandigheden waren gunstig. De burgeroorlog in Syrië had een vrij verkeer van wapens en strijders op gang gebracht tussen Syrië en Irak. Daarbij had de Iraakse premier Maliki de sunnitische minderheid zo gemarginaliseerd dat een nieuwe opstand niet kon uitblijven. De bliksemsnelle veroveringstocht van IS in Irak in de zomer van 2014 verbijsterde de wereld. Na de inname van Mosul, de derde stad van het land, rukte de groep in rap tempo op richting de hoofdstad Bagdad. In het veroverde gebied riep Baghdadi een kalifaat uit.

IS presenteert zichzelf als een reïncarnatie van het kalifaat onder de profeet Mohammed en zijn eerste opvolgers, die in de zevende eeuw het hele Midden-Oosten veroverden en islamiseerden. Ieder aspect van het leven in het kalifaat is gebaseerd op een strikte, radicale navolging van het leven en de profetie van Mohammed. Dat betekent ook dat zevende-eeuwse straffen als kruisiging, onthoofding en slavernij zijn toegestaan. De aanhangers van IS zien zichzelf als de enige ware gelovigen; 99 procent van de andere moslims in de wereld zijn afvalligen en moeten worden gedood om de aarde te zuiveren. IS heeft een apocalyptisch wereldbeeld. De groep gelooft dat de komst van het leger van Rome (het Westen) naar Syrië, waar het zal worden verslagen bij het stadje Dabiq, de Dag des Oordeels zal inluiden

IS controleert nu een belangrijk deel van Syrië (inclusief het nauwelijks bewoonde deel, ongeveer 50 procent) en wellicht eenderde van Irak. In dit gebied, dat ongeveer even groot is als Zwitserland, heeft IS een protostaat opgericht die gebaseerd is op een bureaucratie van terreur. De heerschappij van IS over zijn acht miljoen onderdanen is meedogenloos. IS controleert elk aspect van het leven door de bevolking zijn radicale interpretatie van het islamitisch recht (de sharia) op te leggen.

260116bui_syrie

Op basis van gesprekken met inwoners van het kalifaat, beschreef persbureau AP hoe het er aan toegaat in het kalifaat. Mannen besprenkelen zichzelf met parfum om de geur van verboden sigaretten te verbergen. Taxichauffeurs luisteren naar de radiozender van IS, want muziek kan tien zweepslagen opleveren. Vrouwen gaan geheel gehuld in het zwart, inclusief gezicht en handen. Mensen blijven zo veel mogelijk thuis om contact te vermijden met de hisba, agenten die naleving van de leefregels afdwingen.

Op de meeste plaatsen hebben invloedrijke stammen of families zich loyaal verklaard aan de groep, vaak niet zozeer uit overtuiging maar uit opportunisme. Daarbij maakt IS handig gebruik van generatieconflicten en andere twisten binnen stammen.

Het bestuur van het kalifaat is verdeeld in een civiele en een militaire tak, en het gebied is onderverdeeld in provincies en districten. Aan het hoofd van elk district staat een ‘emir’, vaak een lokale extremist, die verantwoordelijk is voor het dagelijks bestuur. Bedrijven moeten belasting betalen. Apothekers krijgen les in de shari’a en mogen geen voorbehoedsmiddelen verkopen. Toch heeft de groep moeite om basale diensten te leveren. Op veel plaatsen wordt het vuil niet opgehaald, medicijnen zijn moeilijk te krijgen, er is maar een paar uur per dag stroom en de prijzen zijn enorm gestegen.

8. Wie wint er?

Niemand. Er wint niemand.

De afgelopen vier jaar is Assad de controle over een groot deel van het land kwijtgeraakt. Het regime controleert nog ongeveer 40 procent van Syrië: de grote steden in het midden van het land en de westelijke kustprovincies Latakia en Tartus. Hier woont ongeveer 65 procent van de bevolking. Maar het regime heeft delen van het platteland moeten prijsgeven aan de rebellen in het noorden en zuiden, de Koerden in het noorden en de Islamitische Staat in het oosten. Geen van deze groepen is sterk genoeg om het regime te verslaan.

Wat resulteert is een bloedige patstelling.

Het regime is te verzwakt om grote gebieden te heroveren. Van de 325.000 militairen die het Syrische leger aan het begin van de oorlog telde zijn er ongeveer nog 150.000 over. En zij zijn sterk gedemoraliseerd. Het leger heeft grote moeite om nieuwe rekruten te werven. Veel jongeren voelen er niets voor om te sterven in een uitzichtloze oorlog. Syrië kent een dienstplicht, maar er zijn berichten dat die massaal wordt ontdoken. Volgens lokale activisten houden duizenden jongeren zich schuil op het platteland, buiten bereik van de veiligheidsdiensten. Anderen vluchten naar het buitenland.

Om zijn troepenaantallen op peil te houden valt Assad terug op massale arrestaties van mannen in de dienstplichtige leeftijd. En het regime leunt in toenemende mate op steun uit het buitenland: militaire adviseurs uit Iran, tienduizenden vrijwilligers uit Iran, Irak en Libanon, duizenden strijders van de Libanese beweging Hezbollah. Rusland lanceerde in oktober een luchtoffensief omdat het bang was dat het regime zou instorten.

De burgeroorlog heeft het land compleet verscheurd. Overal zijn straten onherkenbaar verwoest. De VN kwamen in januari 2015 met een schatting dat er bij de burgeroorlog 220.000 doden zijn gevallen. Maar dit is geen exact getal, want vanwege het ontbreken van voldoende bronnen waren de VN een jaar eerder al gestopt met tellen. Volgens vluchtelingenorganisatie UNHCR zijn er inmiddels 4,6 miljoen Syriërs naar het buitenland gevlucht. De meesten zijn opgevangen in de buurlanden. Nog eens miljoenen mensen zijn ontheemd.

Dit zijn enorme getallen. Ter illustratie: ruim één miljoen vluchtelingen zijn naar Libanon gegaan, dat zelf vier miljoen inwoners heeft. Stel je voor dat er oorlog is in België en dat vier miljoen Belgen de grens oversteken om zich bij de 16 miljoen Nederlanders te voegen.

Steeds meer Syriërs trekken naar Europa, waar ze iets meer dan de helft uitmaken van de toestroom van migranten. Volgens de Internationale Organisatie voor Migratie zijn er in 2015 ongeveer 500.000 Syrische vluchtelingen in Europa aangekomen. Europese politici proberen zowel in nationaal als in Europees verband de enorme toestroom in te dammen en te verdelen, maar een doortasten antwoord blijft uit. Door de vluchtelingencrisis kraakt de EU in al haar voegen, nationale reflexen worden sterker en rechts-populistische en xenofobe politieke partijen krijgen steeds meer aanhangers.

Kortom, Syrië is ook een Europees probleem geworden.

9. Wat doet de wereld om de oorlog in Syrië op te lossen?

Wat bedoelen we in zo’n vraag eigenlijk met ‘de wereld’? In de praktijk is dat de VN-Veiligheidsraad, en dan in het bijzonder de vijf permanente leden: de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië, China en Rusland. Elk van hen kan met het vetorecht beslissingen tegenhouden. En omdat China en Rusland lang tegen ingrijpen in Syrië waren, strandde in de eerste jaren van de oorlog elke poging om als internationale gemeenschap gezamenlijk op te treden.

Maar waarom waren China en Rusland dan tegen ingrijpen, als er al zo lang de verschrikkelijkste berichten naar buiten kwamen over Syrië?

Dat is voor beide landen anders, al zijn er ook overeenkomsten. Om met dat laatste te beginnen: in maart 2011 besloten Rusland en China zich, bij uitzondering, van stemmen te onthouden bij een Frans-Britse resolutie (een VN-besluit) over ingrijpen in Libië, omdat ze dachten dat ze daarmee de bevolking van het land beschermden. Ze zeiden dus eigenlijk: prima, wij kijken voor één keer de andere kant op.

Rusland en China wisten wel dat ze daarmee instemden met beperkt militair ingrijpen in Libië, maar (vooral) de Verenigde Staten rekten het mandaat zo op dat ze een oorlog tegen het regime van Gaddafi konden beginnen. Dat niet inzetten van het veto was achteraf bezien een fout, vinden de twee landen nu. Ze zijn bang dat de deur opengaat naar bemoeienis met de eigen aangelegenheden: Rusland treedt zelf hard op tegen opstandelingen in Tsjetsjenië en Dagestan en China doet dat in Tibet. Als ze ingrijpen in Syrië toestaan, zijn ze dan zelf de volgende?

Met de inlijving van Tibet in het achterhoofd verzet China zich altijd al tegen inbreuk op de soevereiniteit van andere landen. Ze vinden dat iedereen zich maar met zijn eigen zaken moet bemoeien. Dat is al zo lang zo, dat niemand daar nog een punt van maakt. En dat komt de Chinezen goed uit: zo kunnen ze net zo dwars liggen als Rusland, maar krijgen de Russen alle kritiek.

Dan de weigering van Rusland in het bijzonder. Ten eerste ligt in de Syrische havenstad Tartus de strategisch belangrijke, laatst overgebleven marinebasis van Rusland in de regio. Die hebben willen ze niet kwijtraken in het geval dat Assad het veld moet ruimen. Rusland en Syrië zijn sinds de Koude Oorlog bondgenoten en dat wordt gekoesterd.

Daarnaast levert Rusland wapens aan Syrië. De banden tussen de twee gaan ver terug. Er lopen contracten van in totaal 5 miljard dollar - het Russische leger had ook zulke afspraken met Libië en die zijn al weggevallen, dus het behoud van deze deal is belangrijk voor Rusland.

Maar het willen redden van het eigen hachje is niet de enige reden - ook al legt het Westen het wel vaak zo uit. Deze Rusland-expert zegt dat het moraliserende toontje van Westerse leiders ze nu wel de keel uithangt. Wél Assad weg willen hebben, maar in Oezbekistan een gewelddadig regime door de vingers zien, omdat dat land een belangrijke doorgang is voor NAVO-troepen richting Afghanistan. Het harde optreden tegen demonstranten in Bahrein tijdens het begin van de ‘Arabische Lente’ leek wel op dat in Syrië, maar de koning daar werd niet opgeroepen af te treden. Misschien omdat in dat land een Amerikaanse marinebasis ligt?

Het verzet van Rusland en China tegen ingrijpen in Syrië was voor de hele wereld zichtbaar nadat in augustus 2013 het zenuwgas Sarin was ingezet in Syrië. Deze gruwelijke aanval met chemische wapens vond plaats in buitenwijken van Damascus (hier - pas op, erg onprettige - videobeelden). Er kwamen honderden, misschien zelfs duizenden mensen bij om het leven. De meeste vingers wezen naar het regime van Assad.

Amerika en Frankrijk reageerden enorm fel, want op het gebruik van chemische wapens rust internationaal een sterk taboe. Volgens de Conventie tegen Chemische Wapens uit 1997 is het gebruik, de productie en het bezit van chemische wapens verboden. Syrië was met onder andere Noord-Korea en Egypte een van de weinige landen die het verdrag niet tekenden.

Maar het verdrag uit 1997 wordt minder waard als Syrië ermee wegkomt, waardoor de kans groter wordt dat ook andere landen in andere conflicten naar het middel grijpen. De Amerikaanse president Obama had altijd gezegd dat de inzet van chemische wapen in Syrië een ‘rode lijn’ was – waarmee hij suggereerde dat hij militair zou ingrijpen. Dus toen het eenmaal was gebeurd, wilden de VS luchtaanvallen uitvoeren op Damascus.

Op het laatste moment werd een aanval echter afgewend door Rusland, dat uit alle macht wilde voorkomen dat het zover kwam. Er zouden geen bommen op Damascus vallen als Syrië beloofde per direct te beginnen met het vernietigen van alle chemische wapens die het in bezit had. Assad, waarschijnlijk allang blij dat hij onder Amerikaanse luchtaanvallen uitkwam, stemde in.

Onder toezicht van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) stelde het Syrische regime een lijst op van al zijn chemische wapens. In totaal werd 1.300 ton het land uit vervoerd en vernietigd. In juni 2014 sprak de OPCW van de „voltooiing van de verwijdering” van de chemische wapens. Maar hiermee bedoelt de organisatie alleen de wapens die Syrië onder druk van de internationale gemeenschap heeft opgegeven.

Hoewel die 1.300 ton overeen kwam met schattingen van westerse inlichtingendiensten, vermoeden veel experts dat Assad toch een deel heeft achtergehouden. Er zijn zo nu en dan berichten dat het regime chloorgas uitstort boven Syrische dorpen. En onder experts groeit de overtuiging dat IS rudimentaire chemische wapens maakt en gebruikt in Syrië en Irak. Toch leiden deze berichten niet meer tot een roep om ingrijpen. Want sinds de opmars van IS en andere radicaal islamitische rebellengroepen in Syrië staan westerse landen niet meer zo te trappelen om militair in te grijpen tegen Assad. Want wie komen er na hem aan de macht?

De opmars van IS veranderde de wijze waarop het Westen naar de oorlog keek. Assad was niet langer het grootste probleem. De VS begonnen de terreurgroep te bombarderen, eerst alleen in Irak, later ook in Syrië. In september 2014, tijdens de Algemene Vergadering van de VN, kondigde president Obama een internationale coalitie aan die vanuit de lucht de strijd zou aanbinden met IS.

Opmerkelijk genoeg hadden de sunnitische landen in het Midden-Oosten zich ook aangesloten bij deze coalitie. Want zij vonden (en vinden) de strijd tegen Assad eigenlijk belangrijker dan de strijd tegen IS. Hoewel de coalitie geen formele toestemming van het Syrische regime kreeg om luchtaanvallen uit te voeren, lijkt Assad wel stilzwijgend zijn fiat te hebben gegeven. Want hij bleef buiten schot.

Maar die luchtaanvallen hebben IS niet op de knieën gekregen. Ze hebben de groep hooguit verzwakt. Volgens de VS is daarbij de helft van de commandanten gedood, evenals enkele duizenden strijders. Ook is de groep naar schatting 10 procent van zijn territorium kwijtgeraakt, voornamelijk in Noord-Irak. Een gevolg is dat IS niet meer vrijuit manschappen en materiaal kan verplaatsen. Maar ondanks de bombardementen slaagde de groep er in om de Syrische stad Palmyra en de Iraakse stad Ramadi te veroveren.

In oktober 2015 begon ook de Russische luchtmacht bombardementen uit te voeren boven Syrië – op uitnodiging van het regime. De officiële reden was de strijd tegen IS en andere terroristische groeperingen. Maar de meeste analisten gaan er vanuit dat het werkelijke doel was om het regime van president Assad overeind te houden. Want de meeste luchtaanvallen waren gericht tegen rebellengroepen die wapens krijgen van de VS, Saoedi-Arabië en Turkije, en niet tegen IS.

Kortom, de internationale bemoeienis met Syrië wordt steeds groter. Aanvankelijk werd militair ingrijpen nog geblokkeerd door Rusland en China. Maar sluipenderwijs zijn veel landen steeds meer betrokken geraakt bij het conflict. Dit zorgt er alleen maar voor dat het conflict oplaait en moeilijker op te lossen is. Want iedereen heeft zijn eigen agenda. Het Westen richt zich vooral op IS. Turkije doet voor de vorm mee aan de luchtaanvallen tegen IS, maar maakt zich vooral zorgen over de Koerden. Saoedi-Arabië en de Golfstaten bombarderen IS ook voor de vorm, maar willen vooral dat Assad het veld ruimt. Iran en Rusland steunen Assad, maar richten zich niet op IS maar op andere rebellengroepen.

10. En nu?

Wie hier een lichtpuntje aan de horizon verwachtte: sorry. Er is alle reden om cynisch te zijn. Als we niets doen, is Syrië over zo’n tien jaar leeg, schreef Midden-Oosten-expert Carolien Roelants in NRC. Dan is iedereen dood of weg gevlucht.

Er is geen enkel teken dat de strijdende partijen hun wapens neerleggen. De eis van het Westen, de politieke oppositie en de verschillende groepen die tegen Assad vechten, is dat hij opstapt. Het regime van Assad zegt juist geen enkele concessie te willen doen en noemt alle tegenstanders ‘terroristen’. Alle partijen denken dat ze de oorlog nog kunnen winnen. En de internationale gemeenschap is verdeeld over wat er moet gebeuren - en al zouden ze er hetzelfde over denken, dan is er nog geen voor de hand liggende oplossing.

Tegelijk met zijn interventie lanceerde Rusland ook een diplomatiek offensief om het conflict op te lossen. Het idee daarachter lijkt dat nu het regime weer in het offensief is, Assad kan onderhandelen vanuit een positie van kracht en niet van zwakte. Eind oktober kwamen de ministers van Buitenlandse Zaken van de VS, Rusland, en zeventien andere landen bijeen in Wenen. Ze legden hun volle gewicht achter een vredesproces, geleid door de Verenigde Naties.

Of dit wat oplevert is zeer twijfelachtig. Een eerder Syrisch vredesproces onder leiding van de VN mislukte twee jaar geleden in Genève. Diverse Syrische politieke groeperingen kregen sindsdien steeds meer buitenlandse steun, wat een oplossing van het conflict steeds gecompliceerder maakt. Het Assad-regime wordt geschraagd door Iran en Rusland, de oppositie door landen als Saoedi-Arabië. Daardoor zag VN-gezant voor Syrië Staffan De Mistura al zijn bemiddelingspogingen stranden.

Het nieuwe vredesproces is anders van opzet. Dit keer gaan de gesprekken niet tussen het regime en de oppositie, want het moeten geen onderhandelingen worden tussen vijanden. Het is een poging van de grote spelers in het conflict om het begin van een oplossing te vinden. Als er vooruitgang wordt geboekt, dan kunnen zij hun bondgenoten in Syrië onder druk zetten, zo is het idee. Sommige waarnemers zien hierin de beste kans op vrede sinds jaren.

Maar de partijen blijven op cruciale punten van mening verschillen. Mag Assad aan de macht blijven? Welke rebellengroepen mogen deelnemen aan eventuele vredesbesprekingen? Sommige grote rebellengroepen, waaronder IS en Jabhat al-Nusra, zijn bij voorbaat uitgesloten van het vredesproces terwijl ze wel een groot deel van het land in handen hebben. Ook de Syrische Koerden, de effectiefste bondgenoot van het Westen in de strijd tegen IS die een groot deel van het noordelijke grensgebied controleren, zijn na Turkse druk niet uitgenodigd in Genève.

De VN verwachten dat de vredesbesprekingen zes maanden gaan duren. De eisen die de oppositie heeft gesteld, liggen nog op tafel. Maandag (1 februari 2016) werd bekend dat het regime „in principe” akkoord is met de levering van hulp aan belegerde steden. Verder zal worden gesproken over lokale wapenstilstanden, die de blauwdruk moeten vormen voor een nationaal staakt-het-vuren. Maar het wederzijds wantrouwen is enorm.

Het uiteindelijke doel is de vorming van een overgangsregering die stabiliteit brengt en nieuwe verkiezingen kan organiseren. Het Westen hoopt dat Moskou zijn invloed in Syrië zal gebruiken om Assad onder druk te zetten om op te stappen. Het is onduidelijk of Rusland bereid is de Syrische leider op te offeren, als de groep waarvan hij deel uitmaakt maar in het zadel blijft. Meerdere westerse landen hebben laten doorschemeren dat Assad wat hen betreft mag aanblijven tijdens een overgangsperiode. Maar de politieke en de gewapende oppositie ziet hier niets in, zij eisen het vertrek van de ,,dictator Assad”.

De Amerikaanse president Obama vindt nog steeds dat Assad door zijn nietsontziende geweld tegen burgers alle legitimiteit heeft verloren en uiteindelijk van het toneel moet verdwijnen. Maar net als de Russen ziet hij een volledige ineenstorting van diens regime als een groot gevaar. Want moslimextremisten zouden het machtsvacuüm kunnen opvullen.

Toch lijkt het ondenkbaar dat het regime in Damascus ooit weer heel Syrië zal besturen. Ditzelfde geldt voor de door shi’ieten gedomineerde regering in Bagdad. Zolang er geen geloofwaardig alternatief is voor IS, die het machtsvacuüm in het sunnitische gebied in Oost-Syrië en West-Irak kan vullen, zal de oorlog blijven voortduren.

Meer lezen

Auteurs: Toon Beemsterboer, Caroline de Gruyter, Carolien Roelants en Peter Zantingh

De eerste versie van dit artikel werd in januari 2014 gepubliceerd. Voor het laatst bijgewerkt op 10 februari 2016.