Opgebrand

Een op de zeven werkende Nederlanders heeft last van burn-outklachten als oververmoeidheid en emotionele uitputting. Ingrijpen voor het misgaat kan door regelmatig te leven en te sporten, maar vooral door te bedenken: hoe kan ik mijn werk leuker maken?

Foto Istock / bewerking NRC

We beginnen met een testje. Hier alvast de mogelijke antwoorden: nooit, enkele keren per jaar, maandelijks, enkele keren per maand, elke week, enkele keren per week, elke dag. Kies het beste antwoord bij deze stellingen:

– Aan het einde van een werkdag voel ik me leeg.

– Ik voel me moe als ik ’s morgens opsta en geconfronteerd word met mijn werk.

– Het vergt heel veel van mij om de hele dag met mensen te werken.

– Ik voel me compleet uitgeput door mijn werk.

Dit zijn vragen om een van de belangrijkste indicatoren van een burn-out vast te stellen: emotionele uitputting. Ze werden voorgelegd aan Nederlandse werknemers tijdens een grote jaarlijkse enquête over arbeidsomstandigheden van het Centraal Bureau voor de Statistiek, TNO en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De recentste verscheen eind vorig jaar. De uitkomst: 14 procent van de Nederlanders heeft burn-outverschijnselen. Zij beantwoordden deze vragen gemiddeld genomen met ‘enkele keren per maand’ of meer. Met die score komen ze in aanmerking komen voor het label burn-outklachten.

Het aantal werknemers met burn-outklachten nam de afgelopen jaren toe met ongeveer 3 procent. TNO berekende dat ziekteverzuim door werkstress zoals burn-out jaarlijks 1,8 miljard euro kost.

Wie is kwetsbaar voor een burn-out? Wat voel je als je burn-outklachten hebt? En wat kun je dan doen?

Wat merk je van een burn-out?

Bij een burn-out ben je ‘opgebrand’ door langdurige stress. Voor opgebrand zijn bestaat een meetinstrument: de Maslach Burnout Inventory. Dat is een test aan de hand van een vragenlijst, vergelijkbaar met de stellingen over emotionele uitputting hierboven.

Behalve die uitputting zijn cynisme en afstand van het werk symptomen, net als gebrek aan professioneel zelfvertrouwen.

Wat merk je daarvan bij jezelf, of bij een collega? Dat kan verschillen, maar hoog op de checklist komen bijvoorbeeld moeheid, slecht slapen, prikkelbaarheid, piekeren, emotionele labiliteit, gejaagd gevoel en concentratieproblemen.

Komt een burn-out door te hard werken?

Nee, dat is te kort door de bocht. „Je hoort weleens: ‘ik heb een burn-out, want ik heb het zo druk gehad’. Maar druk alleen is de reden niet”, zegt Ron de Kloet. Hij is emeritus hoogleraar neuro-endocrinologie en farmacologie aan het Leids Universitair Medisch Centrum en heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de invloed van stress op ons lichaam. „In werkelijkheid lukte het dan niet om de werkdruk te hanteren.”

Wat zijn dan risicofactoren?

Onzekerheid, zegt De Kloet. „Stress draait om informatie.” Voorspelbare situaties zijn goed: dan weet je hoe je moet reageren. „Maar is er veel onduidelijkheid, dan kan dat stress opleveren.” Een beetje stress is niet zo erg, maar langdurige stress kan leiden tot een burn-out. De Kloet schetst zo’n onduidelijke werksituatie: „Je bent onzeker over je functioneren. Kan ik het wel aan?” Of je bent onzeker over je carrière: „Het gaat slecht met het bedrijf waar je werkt. Er zijn de hele tijd geruchten en je hebt geen idee wat de toekomst brengt.”

Nog een risicofactor: gebrek aan sociale steun, zegt Toon Taris, hoogleraar arbeidspsychologie aan de Universiteit Utrecht. Je kunt nooit even lekker klagen bij je collega’s. Je baas heeft niet door hoe hard je werkt en je krijgt geen waardering voor dat harde werk – wat de onzekerheid weer voedt. Ook belangrijk: gebrek aan onafhankelijkheid en controle. Wie zelf zijn werktempo en carrière bepaalt, heeft er ook meer grip op. En ook werkdruk.

Is iedereen er even gevoelig voor?

Nee. Voor een deel ligt stressbestendigheid en dus veerkracht bij stress en burn-outverschijnselen genetisch vast, zegt De Kloet. Ongeveer 30 procent van de mensen is van nature optimistisch. Zij zijn genetisch beschermd tegen depressie en piekeren niet of weinig. Daarnaast is je omgeving natuurlijk ook erg belangrijk.

Er zijn twee risicofactoren in het karakter, zegt Taris. Mensen die geneigd zijn zich te druk te maken, zijn kwetsbaar: neuroten, met een weinig flatterend woord. En ook: perfectionisme. Perfectionisten stoppen (te) veel tijd in hun werk, want het moet van hen – logisch – héél goed zijn. Taris: „En zij kunnen vaak ook moeilijk delegeren: anderen kunnen het nooit zo goed als zij.” Perfectionisme leidt vaak ook tot uitstelgedrag (wat dan weer voor stressvolle situaties zorgt), zegt Taris. Drempelvrees eigenlijk, omdat mensen zoveel van zichzelf verwachten.

Ook in sommige beroepen heb je een verhoogde kans op burn-outklachten. Leraren zijn het kwetsbaarst, blijkt uit CBS-cijfers: van hen ervaart een op de vijf burn-outklachten. Onderwijsbond AOb maakt zich daar zorgen over. Onlangs maakte televisieprogramma Zembla bekend dat de bond docenten sinds september vraagt een dagboek bij te houden om inzicht te geven in hun werkdag. Een hoge werkdruk maakt docenten kwetsbaar voor burn-outklachten, maar ook een gebrek aan onafhankelijkheid is een factor.

In de media wordt de toename van jonge mensen met een burn-out vaak besproken. Lopen zij een hoger risico?

De groep van 25 tot 35 jaar oud is inderdaad het meest vertegenwoordigd in de laatste cijfers van CBS en TNO. Maar laten we niet overdrijven: dat scheelt slechts een paar tiende procentpunt met, bijvoorbeeld, de groep van 55 tot 60 jaar. „Vergeleken met hoeveel aandacht ervoor is, zou je verwachten dat het aantal burn-outs onder jongeren véél hoger is”, zegt Claudi Bockting, hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit Utrecht.

Hoe zoiets dan toch de wereld inkomt? „Jonge mensen zoeken tegenwoordig veel sneller hulp voor psychische klachten – maar dat wil niet zeggen dat die klachten ook vaker voorkomen. Uit alle beschikbare data blijkt dat dat niet het geval is.” Haar conclusie: „Eigenlijk goed nieuws: ondanks dat een behoorlijke groep jongeren worstelt met zichzelf lijken we weerbaarder dan we denken.”

Burn-out komt door langdurige stress. Waarom is stress zo slecht?

Het antwoord op die vraag ligt in de bijnier. Daar wordt het hormoon cortisol aangemaakt. „Dat hormoon helpt allereerst om de betekenis van een stressvolle situatie in te schatten en een handige strategie te verzinnen een dreigend probleem op te lossen”, zegt Ron de Kloet. Naarmate het cortisolniveau verder stijgt, wordt een tweede functie van dat hormoon in werking gezet, de functie die de gevonden oplossing van het probleem in het geheugen opslaat zodat je een volgende keer weet wat te doen. Je past je aan, je wordt weer rustig en je cortisolniveau daalt.

Maar nu komt het: soms komt die tweede werking van cortisol onder druk te staan. Het lúkt gewoonweg niet om je probleem op te lossen. „Omdat je te onzeker bent over de uitkomst van je actie, bijvoorbeeld”, zegt De Kloet.

Het cortisolniveau blijft dan hoog. Dat heeft lichamelijke gevolgen, zegt De Kloet. Je bloeddruk stijgt, je stofwisseling raakt ontregeld, je afweersysteem krijgt het zwaar en – heel belangrijk – je slaapt slecht. De Kloet: „Als je cortisol hoog is, kom je niet in je diepste slaap terecht. En die slaap is juist bedoeld om te herstellen.”

Wat kun je doen als je burn-outklachten hebt?

Wie te lang blijft lopen met burn-outverschijnselen kan op den duur met een volledige burn-out eindigen. En je situatie kan daarna nog verslechteren: burn-outpatiënten hebben een verhoogd risico op depressie.

Vaak duurt het maanden, of zelfs jaren, voor je na een burn-out weer helemaal aan het werk bent. Maar, zegt Toon Taris, hoe langer je thuiszit, hoe moeilijk het is om weer aan de slag te gaan.

„Bij een burn-out – en vergelijkbare klachten, zoals depressie – is het belangrijk om snel weer voorzichtig aan het werk te gaan”, zegt hij daarom. Er zijn „behoorlijk succesvolle behandelprogramma’s” die ernaar streven dat je binnen twee of drie weken weer een aantal uren werkt, zegt hij. Maar voorzichtig dus. Denk aan: twee uur op maandag en twee op vrijdag. Kies dan vooral de ‘leuke’ werkzaamheden, zegt hij, en vooral níét de heel belastende.

Maar het is natuurlijk fijner om in te grijpen voor het helemaal misgaat. Probeer regelmatig te leven en te sporten, adviseert De Kloet. Hardlopen, zwemmen, wandelen. Je verstookt er de energie mee die extra wordt opgewekt door stress. Als het meezit, slaap je daarna beter.

En, zegt Taris, ga bij jezelf te rade. Hoe komt het dat je dit voelt? „Is je werk te belastend? Doe je te veel? En waar komt dat door? Kun je geen ‘nee’ zeggen, voel je je overal verantwoordelijk voor, is je ambitie groter dan je agenda toestaat?”

Wat de inhoud van je werk betreft: kijk daar eens kritisch naar, adviseert Taris. Overleg met je baas en vraag naar je taken. Is wat jij denkt dat je moet doen, ook echt wat er van je verwacht wordt? Kun je je werk leuker maken? „Bijvoorbeeld door taken die je belastend vindt te delegeren? Of een cursus te volgen zodat je toegroeit naar een leukere functie?”

Zo niet, vraag je dan eens af: is dit eigenlijk wel de juiste baan voor mij?