‘Hoe kon ik mezelf nog overtreffen?’

(49), beroemd geworden met Ik haal je op, ik neem je mee, schreef nu een roman over een vrijgevochten meisje. ‘Ik vond het niet makkelijk om in het hoofd van een jonge vrouw te kruipen.’

Niccolò Ammaniti verheugde zich er elk jaar weer op. Zodra het carnaval was en zijn juf het teken gaf dat de kinderen zich mochten verkleden, rende hij in één rechte lijn naar de kist met verkleedspullen. Het skeletpak was van hem. Hij trok het aan, bewonderde zichzelf in de spiegel en joeg zijn klasgenoten – prinsesjes, elfjes en zangeressen – de stuipen op het lijf.

Donker, morbide en naargeestig: Niccolò Ammaniti, de Italiaanse bestsellerauteur, had als kind al een fascinatie voor het obscure. Zijn dromen gingen meestal over nachten waarin vleermuizen en ratten bezit namen van de straat, of over kleine kinderen die verdwaald raakten in een bos en vervolgens achterna werden gezeten door een roedel boze wolven. Als hij al eens over zijn ouders droomde, waren ze dood. „Dan zag ik mijn vader, hangend aan een kruis”, zegt Ammaniti (Rome, 1966) lachend in de bibliotheek van een hotel in Amsterdam, waar hij vorige week was ter promotie van zijn nieuwste roman Anna.

Zijn zwarte kijk op het leven – Ammaniti heeft geen idee waar die vandaan komt – zien we terug in zijn boeken. Zijn personages bevinden zich vaak in een donkere, gecompliceerde wereld, waarin het gevaar voortdurend op de loer ligt. Zo ook in Anna. Het is 2016 en Europa wordt getroffen door een geheimzinnig virus dat zich razendsnel verspreidt en alle volwassenen doodt. Kinderen zijn er immuun voor – tót de puberteit. Anna, een meisje van dertien, bekommert zich om haar vijf jaar jongere broertje Astor. Ze wonen op het desolate Sicilië, waar inmiddels alles is geoorloofd om te overleven.

In twee opzichten is Anna anders dan de vorige boeken van Ammaniti: zijn hoofdpersonen bevinden zich niet in een afgebakende wereld maar in een vrij landschap, en zijn hoofdpersoon is, in tegenstelling tot al zijn vorige creaties, een jonge vrouw. Ammaniti kleurt Anna op magnifieke wijze in. Met liefde en tederheid waakt ze over haar broertje Astor.

Alleen overleven telt voor Anna

„Anna is vrij”, zegt Ammaniti, die tijdens het gesprek een leesbril op zijn buik laat bungelen. „Ze kan doen wat ze wil, waarbij ze geen rekening hoeft te houden met justitie of normen en waarden. Alleen overleven telt. Zowel voor haar als voor haar broertje. Ik vond het niet makkelijk om in het hoofd van een jonge vrouw te kruipen. Het was lastig. Vandaar ook dat het zo lang duurde voor dit boek af was.”

Zijn voorlaatste roman, Het laatste oudjaar van de mensheid, dateert van 2011. Eerder verschenen bestsellers als Ik haal je op, ik neem je mee (zijn grote doorbraak in Nederland), Ik ben niet bang, Zo God het wil en Jij en ik. Inmiddels verschijnt Ammaniti’s werk in 44 landen, worden zijn boeken verfilmd en loopt zijn boekenverkoop tot in de miljoenen. Of het succes hem in de loop der jaren heeft veranderd? Ammaniti kijkt even weg en staart in het niets. „Weet je”, zegt hij, bedachtzaam. „Na het succes van Io non ho paura [Ik ben niet bang, zijn grote doorbraak in Italië], waar binnen korte tijd anderhalf miljoen exemplaren van werden verkocht, dacht ik bij mezelf: hoe kan ik dit in hemelsnaam nog overtreffen? Ik wist dat ik daar niet aan moest denken, maar ik kon die gedachte niet van mij afzetten. Onmogelijk. Mijn reactie was Zo God het wil, wat misschien wel het meest trieste, zwaarste en donkerste boek is wat ik heb geschreven. Het was mijn antwoord op de hype die was ontstaan.”

Vervolgens, lachend: „Maar ja, dat boek werd ontzettend goed ontvangen. De les die ik eruit trok? Het publiek interesseert me niet meer. Ik schrijf wat ik wil.” Even later, als we spreken over zijn fans, wil hij die uitspraak graag nuanceren. „Mijn lezers doemen altijd ergens aan het begin en het einde van het schrijfproces op. Het is net als de schakelaar van het licht. Opeens zijn ze er; wat zullen zij ervan vinden? Maar als ik schrijf, vergeet ik de wereld en denk ik niet aan mijn publiek.”

Zijn schrijverschap vergt een kluizenaarsbestaan, dat hij omarmt. Ammaniti woont in Rome, waar de mensen hem zelden of nooit buiten zien. Eten, slapen en vrijen; zo ziet zijn dagelijkse bestaan er bij voorkeur uit, aldus de schrijver. „Ik leef heel gesloten”, zegt Ammaniti, waarna zijn telefoon op tafel begint te rinkelen en hij opneemt met ‘tesoro’ (schat), een aanduiding die bestemd is voor zijn echtgenote, actrice Lorenza Indovina.

Hij schrijft als een vulkaan

Als hij de telefoon neerlegt, vervolgt hij: „Ik blijf het liefst de hele dag thuis. Hoe langer ik mezelf opsluit, hoe meer fantasie ik krijg.” Vergelijk hem maar met een vulkaan. Eerst begint hij te pruttelen, vervolgens blaast hij wat wolkjes as uit en daarna, zonder te stoppen, begint hij uit te barsten. „De eerste periode, waarin ik op zoek ga naar de structuur voor mijn boek, vervloek ik. Ik loop bijna letterlijk tegen de muren op. Maar daarna, omdat mijn uitgever nerveus wordt, mijn deadline nadert of ik genoeg heb van mijn luiheid, knal ik van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Dan schrijf ik met gemak twintig pagina’s per dag. Op die momenten ben ik blij en gelukkig, maar in de aanloopperiode haat ik het schrijven.”

Ammaniti spreekt op vergelijkbare wijze; als een ware Italiaan. Eenmaal op gang, ratelt hij. En handgebaren zijn nooit ver weg. Schrijven heeft hem veel gebracht, bekent hij. Een miljoenenpubliek, financiële onafhankelijkheid en – belangrijker nog – het heeft ervoor gezorgd dat zijn vader trots op hem kon zijn. Dat is lang niet altijd zo geweest. Toen Ammaniti zijn studie biologie aan de universiteit van Rome verkwanselde en besloot zijn scriptie over vissen om te dopen in zijn eerste roman (Kieuwen, 1994), ontstak vader Massimo, een gerespecteerd psychiater, in woede. Het schrijverschap was geen bestaan, sneerde hij.

„Toen ik mijn eerste boek uitbracht, wilde hij het beslist niet lezen. Mijn vader was boos. Boos omdat ik de universiteit niet had afgemaakt. Ga toch werk zoeken, zei hij. Maar na een boek of drie, toen hij positieve besprekingen had gelezen in de krant en hij werd aangesproken door mensen die mijn boek mooi hadden gevonden, heeft hij Kieuwen ook gelezen. Op een dag belde hij op. ‘Je hebt een mooi boek geschreven, Niccolò’, zei hij. Meer niet. Maar het was genoeg voor mij.

„Inmiddels heeft hij geaccepteerd dat ik schrijver ben. Sterker nog: hij is zelf ook begonnen met schrijven. Nee, geen fictie, per fortuna”, zucht Ammaniti. „Hij schrijft boeken over zijn vakgebied. En hij heeft talent. Zeker. Ik help hem graag met zijn stijl, correcties of het verzinnen van een goede titel. Het levert grappige situaties op. Soms komen er patiënten bij hem die vragen: oh, bent u misschien de vader van die schrijver? Als ik dat hoor, lach ik me rot.”