Even op en neer

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Vorige week bracht ik een bliksembezoek aan Nederland. Even op en neer. Het is schokkend hoe eenvoudig het is om de oceaan over te steken. Uurtje rijden naar het vliegveld, een vlucht die ik slapend doorbreng, en voor ik het weet sta ik op Schiphol. Nog wat rillerig van de slaap kijk ik omhoog naar de hemel waar de regen zonder ophouden uit neervalt. Liever heimwee dan Holland, schieten de dichtregels van Vroman door me heen, terwijl ik wachtend op een taxi doornat regen.

Nog diezelfde ochtend wandel ik over mijn geliefde Noordermarkt. Ik veeg een sliert haar uit mijn gezicht. De klok slaat tien uur, maar mijn lichaam is nog niet ontwaakt. Schuilend in mijn sjaal, waarin de lucht van thuis nog hangt, vraag ik me vertwijfeld af waar ik eigenlijk ben. Mijn ziel die spreekwoordelijk te paard reist, kan de geperfectioneerde logistiek van het moderne reizen nauwelijks bijbenen.

Zoon Matthijs, achtergebleven in Princeton waar het inmiddels hevig sneeuwt, vraagt me per sms waar de slee staat. „In de schuur”, schrijf ik terug en bijna voeg ik eraan toe: „Ik pak hem zo meteen wel even voor je.”

Wanneer je ons Amerikaanse huis binnentreedt, is het eerste wat je ziet een wat smoezelige poster aan de muur. Onder een Hollandse wolkenhemel vaart aan de horizon een stoomschip. Op de kade staat een klein meisje in een rood rokje dat ongeduldig aan het schort van haar moeder trekt. „Waar gaat dat schip naar toe?”, vraagt ze terwijl haar haren vanonder een wit kapje wapperen in de wind. Haar handje wijst naar de zee. De moeder met een zelfde kapje staart in de verte met een hand in haar zij en antwoordt: „Naar Amerika, mijn kind.”

Het is een reclameposter van de Holland-Amerika Lijn, die lange tijd „de enige directe maildienst” onderhield tussen Rotterdam en New York.

De poster troffen we bij de inboedel na het overlijden van mijn schoonvader. Als jongeman werkte hij bij de HAL en vertrok met zo’n schip naar Amerika. Deze reis was een enorme belevenis voor deze jongen die nooit buiten zijn geboortestad geweest was en weinig luxe had gekend. Heerlijk eten in overvloed, goede wijnen, porseleinen serviezen en zilveren bestek.

Na zich twee weken lang te hebben verheugd, zag hij eindelijk het land dat hij met een zweem van jaloezie bewonderde. Daar waren ze, de wolkenkrabbers, de auto’s die zoveel groter en mooier waren. De metro.

Omdat de reis zo’n investering was, ging hij natuurlijk niet na enkele dagen weer naar huis. Mijn schoonvader bleef een half jaar weg. Een ervaring die zijn leven veranderde. Bij terugkomst ging de tandpasta nooit meer helemaal terug in de tube. Wat moet hij vaak aan die reis hebben teruggedacht. De wandeling langs de Hudson, eindigend in een nachtclub met jazzmuziek. Er was een nieuwe wereld voor hem opengegaan.

Na een week werp ik een laatste blik op de klok van de Noorderkerk en vertrek door de regen naar Schiphol. Voor ik het goed en wel doorheb, is Nederland een stipje geworden, ver onder me.

„Chicken or beef?”, vraagt de stewardess en zet een plastic bakje voor me neer met een servetje waarin een plastic bestekje gerold is.