Ze hebben minder zin om te gaan studeren dan vroeger

Het aantal eerstejaars daalt voor het tweede jaar op rij. Vorige jaren schreven massa’s studenten zich in voordat de basisbeurs zou verdwijnen. Dat is nu voorbij.

Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Aan de jaren van onstuimige groei van het aantal eerstejaars studenten in het hoger onderwijs is een definitief einde gekomen. Zowel aan universiteiten als aan hogescholen is het aantal eerstejaars dit studiejaar verder afgenomen. Aan de universiteiten bleef de daling van het aantal eerstejaars beperkt tot 0,9 procent, aan de hogescholen viel het aantal eerstejaars terug met 8,3 procent.

Woordvoerder Bastiaan Verweij van de vereniging van universiteiten VSNU spreekt van een „omgekeerd boeggolfeffect”. Voor het studiejaar 2014/2015 begonnen extra veel jongeren aan een studie om nog een basisbeurs te krijgen. Nu die beurs weg is, is er minder druk om meteen na het eindexamen met een studie te beginnen. Maar nog steeds is het percentage vwo’ers dat aan een universitaire studie begint, hoger dan de 71 procent van voor de ‘boeggolf’.

De daling van het aantal eerstejaars zette al in in studiejaar 2014-2015, toen er nog een studiebeurs was. De laatste twee jaar daalde het aantal universitaire eerstejaars met 3,4 procent en het aantal hbo-eerstejaars met 11,5 procent.

Met deze cijfers kan nog weinig definitiefs worden gezegd over de effecten van het wegvallen van de basisbeurs. Volgens Thom de Graaf, voorzitter van de Vereniging van Hogescholen heeft „het leenstelsel een beperkt afschrikkend effect, maar we weten niet of het structureel is”. Volgens schattingen ziet 1 op de 40 havo-gediplomeerden om financiële redenen af van hoger onderwijs. Voor het mbo is dat 1 op 20.

Bij het hbo nemen alle drie de categorieën eerstejaars – afkomstig van mbo, havo en vwo – gelijkelijk af. Met een einddiploma mbo valt ook wel direct een baan te krijgen. Vwo’ers geven de voorkeur aan de universiteit. De krimp is daar minder. „De universiteit heeft ook meer beroepsstudies gekregen, zoals communicatie en business administration en een deel van bestuurskunde”, zegt De Graaf.

Ondanks het afnemende aantal eerstejaars groeien, mede dankzij buitenlandse studenten, de universiteiten nog met bijna 2 procent, terwijl de hogescholen krimpen met bijna 1 procent. Het aantal studenten aan de pedagogische academie is met eenderde gedaald door scherpere toelatingseisen. Het aantal hogeschooldiploma’s nam afgelopen jaar toe met 5 procent. Er is minder uitval.

De universiteiten hebben nu 258.000 studenten, de hogescholen 443.000. Het aantal hoogopgeleiden tussen 25 en 35 jaar zweeft volgens het CBS nu rond de 40 procent; 44 procent van de vrouwen en 37 procent van de mannen. „Het kan zijn dat we verzadigd zijn”, zegt De Graaf. „We hebben jarenlang gezegd dat 50 procent van de bevolking hoogopgeleid moet zijn. Maar je moet er ook banen voor hebben.”

De universiteiten zijn de internationale markt opgegaan met Engelstalige opleidingen. Het aantal internationale studenten voor masters en bachelors, vaak Duitsers en Chinezen, is met 20 procent toegenomen tot 15.000. Het aantal masterstudenten aan de universiteit groeit ook.

Rechten, psychologie en geneeskunde zijn de grootste opleidingen. Snelste stijgers zijn de sectoren natuur en landbouw. University colleges groeien gestaag, taal en cultuur moeten het dit jaar met 9,2 procent minder eerstejaars doen dan vorig jaar.

De Graaf vindt het jammer als mbo’ers met talent niet doorstuderen. „Het hbo heeft ook een emancipatiefunctie”, zegt hij. Er is nu voor mbo’ers een tussenmogelijkheid, de tweejarige associate degree. Een derde van de eerstejaars hbo-studenten komt van het mbo, 50 van de havo en slechts 8 procent van het vwo.