Taal en muziek concurreren om breinkracht

Taal en muziek delen dezelfde machinerie in het brein. Liefde voor muziek lift mee op ons taalvermogen, zo lijkt het.

Taal en muziek gebruiken dezelfde hersencircuits, die bedoeld zijn om structuur te ontdekken in een opeenvolging van klanken.

Dat stellen hersenonderzoekers Richard Kunert, Roel Willems en Peter Hagoort van het Dondersinstituut in Nijmegen in een publicatie in Royal Society Open Science. Dat concluderen ze uit experimenten waarin proefpersonen luisterden naar opeenvolgingen van akkoorden terwijl ze tegelijkertijd ‘intuinzinnen’ hoorden.

Een intuinzin is een zin die de lezer of luisteraar aanvankelijk op het verkeerde been zet. Zoals de zin: „Maar tegenwoordig zijn er onderzoekers die sluimeren en zelfafbraak als twee verschillende processen zien.” (Deze zin stond vrijdag in NRC, in een artikel over levensverlenging bij muizen.)

Bij het woord ‘sluimeren’ denkt een onvoorbereide lezer even aan – nogal raadselachtige – sluimerende onderzoekers. Totdat de rest van de zin duidelijk maakt dat ‘sluimeren’ geen persoonsvorm is, maar een werkwoord gebruikt als zelfstandig naamwoord.

Ook in de muziek bestaat zulke dubbelzinnigheid. Een reeks akkoorden kan ‘af’ klinken: de klanken van de opeenvolgende akkoorden bouwen een harmonische spanningsboog, die oplost in het laatste akkoord, meestal in de grondtoon.

Maar in sommige akkoordenreeksen wisselt de grondtoon halverwege, een ‘modulatie’. In de nieuwe toonsoort klinkt het slotakkoord ‘af’. Maar voor de goede luisteraar kan ook een slotakkoord in de oude ingezette toonsoort ‘af’ klinken. De eerst ingezette toonsoort is blijven hangen.

De onderzoekers lieten gemoduleerde akkoordenreeksen horen aan proefpersonen, die dan moesten zeggen in hoeverre ze af klonken. Tegelijkertijd luisterden ze naar intuinzinnen, zoals: „De chirurg troostte de man en de vrouw legde haar hand op zijn voorhoofd.”

Zulke intuinzinnen schaadden de harmonische prestaties behoorlijk. De moeilijke akkoordenreeksen, die in de oude toonsoort eindigden, klonken een stuk minder vaak ‘af’ (vergeleken met een test waarin proefpersonen tijdens het luisteren een rekenopdracht moesten doen).

Dat komt, stellen de onderzoekers, doordat beide bezigheden gebruik maken van dezelfde hersencircuits. Die circuits zijn ingericht op ‘syntax’: het interpreteren van structuur in reeksen van klanken. Blijkbaar doen dezelfde circuits dienst voor zowel taal als muziek. Dat zou de – evolutionair nogal moeilijk uit te leggen – aantrekkingskracht van muziek deels kunnen verklaren.

Helemaal nieuw is deze concurrentie om hersenkracht tussen taal en muziek niet. Veel meer experimenten laten zien dat goed luisteren naar het één neerkomt op slecht luisteren naar het andere. Maar zelden is daarbij duidelijk of het gaat om specifieke hersencircuits, of om concurrentie om aandacht in het algemeen.

De onderzoekers lieten hun proefpersonen ook luisteren naar niet-syntactische intuinzinnen, zoals: „De programmeur liet zijn muis op de tafel rondlopen nadat hij hem had gevoerd.” Bij zulke zinnen was de invloed op muzikale prestaties veel kleiner. De concurrentie gaat dus om de syntax-rekenkracht van het brein, niet om aandacht in het algemeen.