Opinie

Naar doofheid is niemand nieuwsgierig

Omdat er iets verkeerd was gegaan met de afspraak had de kapper geen tijd meer om mijn haar te föhnen, dus dat deed ik zelf. In die loeiende, warme wind gezeten zag ik via de spiegel de kapper en haar collega enigszins naar elkaar toegebogen met elkaar praten en lachen. „Die hebben het over mij”, dacht ik. En corrigeerde mezelf ogenblikkelijk, wat een onzin, alsof ze niets anders hebben om over te praten, hou op. Ik hield op.

Maar de volgende dag dacht ik er toch nog even aan. Zouden ze écht niet? Hou op.

Ik dacht het, wist ik best, omdat ik niet kon horen wat ze zeiden en ze zag lachen. Omdat ik tijdelijk doof was.

Oude vrienden en oude ouders zijn tegenwoordig tamelijk doof. Sommigen nogalwelzotamelijkzeerbuitengemeen. Meestal praat je er nogal luchtig over: „Ja het gaat hem goed, alleen een beetje doof zo langzamerhand.”

Maar na een weekend met mijn doofgeworden vader, zag ik het toch anders.

Om doofheid hangt weinig ‘romantisch’ of ‘heroïsch’, zoals rond blindheid wel. Blind zijn vinden we om een of andere reden interessant, we stellen ons voor hoe dat zou zijn, we vertellen verhalen over blinde zieners, we beelden de rechtvaardigheid geblinddoekt af, er zijn natuurpaden voor blinden waar ook zienden gretig overheen wandelen omdat je er zoveel kunt beleven. Naar doofheid zijn we helemaal niet nieuwsgierig. Ik denk vaak aan het bij vlagen hilarische boek van David Lodge, Deaf sentence, over een slechthorende man die zo slecht horend is dat je hem gerust doof kunt noemen. Doof genoeg om de conversatie in veel situaties onmogelijk te maken, op feestjes bijvoorbeeld, of met meer personen aan één tafel die, zoals personen doen, door elkaar heen praten. Lodge’s hoofdpersoon meent dat blindheid tragisch is en doofheid komisch. Oidipous zou nooit zijn trommelvliezen doorstoken hebben. De hoofdpersoon denkt aan beroemde versregels of liedjes waarin hij ‘ogen’ vervangt door ‘oren’ en het wordt allemaal belachelijk: ‘Smoke gets in your ears’. En natuurlijk denkt hij ook aan blinde zieners of profeten, dove zieners bestaan niet: „Stel je voor dat je een vraag zou stellen aan de Sibylle en een geërgerd ‘Wat? Wat?’ ten antwoord zou krijgen.”

Ja dat is allemaal verre van tragisch. De hoofdpersoon voelt zichzelf eerder „foolish and pathetic”.

Toch is er wel degelijk iets tragisch’ in het niet meer kunnen horen. Het verlies van muziek. De vervormde klanken van de stemmen die je ooit zo goed kende en liefhad. Het onvermogen om deel te nemen aan een conversatie waarin iedereen snel op elkaar reageert en lacht, en dan nóg leuker uit de hoek komt. Zulke conversaties bestaan en ze kunnen je een buitengewoon vervuld en gelukkig gevoel geven.

Ik stel me voor hoe partijtjes zouden veranderen van feestelijke gelegenheden in beproevingen. Hoe restaurants op de hel beginnen te lijken – zeker de moderne zeer lawaaiig weerklinkende restaurants waarin alles betegeld is en van hout en steen, in het niet aflatende streven om puur en ambachtelijk te schijnen. Ik stel me de onontwarbare herrie voor waarin je opgesloten zit als dove met gehoorapparaatjes en de wattige stilte zonder die dingen. Eigenlijk nooit eerder gedaan. Ik zie weer de lachende hoofden in de kapperszaak voor me, hoe ik daarvan buitengesloten was. Hoezo is het iets om luchtig over te doen? Nu ja, er loodzwaar over doen helpt ook niet. Maar je stelt je de dingen van het ouder worden eigenlijk nooit goed genoeg voor. Niets eigenlijk. Het voorstellingsvermogen is nogal beperkt. Er is een föhn bij nodig.