Mosmanie

Mos was altijd een ongenode gast, tussen de tegels op de oprit. Maar mos is hard bezig aan een opmars in huis en op het bord. Mosman Klaas van Dort heeft zijn bedenkingen: „Schilderijen van mos, pure mosmarteling!”

Al ruim dertig jaar is Klaas van Dort bryoloog. Ofwel: mossenkenner. Actief lid van de BLWG, de Bryologische en Lichenologische Werkgroep. „Zeg maar gewoon: een fanclub voor mossen- en korstmossen.” Afgelopen najaar verscheen zijn Basisgids Mossen – een boekje voor de beginnende bryoloog. „En geloof het of niet, maar sindsdien staat mijn telefoon roodgloeiend. Mijn mailbox puilt uit van de verzoeken. Of ik een lezing wil geven, een excursie wil begeleiden… Het lijkt wel een trend.”

En inderdaad: was mos een paar jaar geleden vooral iets wat je oprit verpestte, iets dufs voor in kerststukjes hooguit, sinds enige tijd is het laag-bij-de-grondse groen aan een opmars bezig. Als interieurdecoratie, als tuinornament, als gastronomisch hoogstandje, in de openbare ruimte.

Van Dort staart gebiologeerd naar de boomstam vlak voor zijn neus. „Geel dooiermos!” roept hij blij uit. „En kijk, vlak daarnaast een paar haarmutsen. Bloedmooi.” We wandelen met hem door het Vondelpark om over de mostrend te praten.

Vijf jaar geleden verscheen in Japan het boek Mosses, My Dear Friends van Hisako Fujii. Het werd meer dan 40.000 keer verkocht, Japanse vrouwen gingen massaal naar ‘moskijkfeestjes’ – natuurexcursies waarbij ze het mos letterlijk onder de loep namen.

Korte tijd later werd de Deense chef-kok René Redzepi van sterrenrestaurant Noma in Kopenhagen door de internationale culinaire pers geroemd vanwege zijn culinaire kerststukje: gefrituurd rendiermos.

Nederland bleef aanvankelijk achter. ‘Wat valt er te doen aan dat irritante mos in het gazon?’ kopte dagblad Trouw nog in 2011, om met tips voor mosdodende middelen te komen. Maar intussen dook op andere plekken het mos juist op: interieurarchitecten en ontwerpers introduceerden moswandtapijten, mosmuren, zelfs badmatten van mos.

Wat maakt mos zo onweerstaanbaar? Zijn het de poëtische namen (‘gesnaveld klauwtjesmos’, ‘kaboutermos’), is het dat intense groen, dat zachtverende gevoel als je erop gaat staan?

„Die Japanse trend is makkelijk te verklaren”, zegt Klaas van Dort. „Japanners hebben al sinds mensenheugenis boeddhistische tuinen. Zenmeesters kunnen uren naar zo’n groen polletje kijken. De natuur is vaak heel grillig, maar haarmos bijvoorbeeld heeft een heel regelmatig patroon. Daar gaat iets meditatiefs vanuit.”

Een plant om respect voor te hebben

„En laten we wel wezen: het is ook gewoon een plant om respect voor te hebben”, zegt Van Dort. „Mos is een beetje de underdog onder de planten, bedreigd door de grote boze buitenwereld, snel weggetreiterd door de grotere vaatplanten, die het licht afvangen. Maar in steden – tussen stoeptegels, op muurtjes – heeft mos het rijk voor zich alleen.”

Al twintig jaar struint Klaas de steden af om de veranderende mossengemeenschap in kaart te brengen. „Ieder mos is een woord in de taal die de natuur spreekt, zeg ik altijd. Aan de soorten kun je van alles aflezen. Gekroesde haarmutsen, bijvoorbeeld: die duiden op de opwarming van de aarde. Een paar decennia geleden was het in Nederland nog te koud voor ze. En de hoeveelheid geel dooiermos en vingermos zegt iets over de luchtvervuiling: hoe meer stikstof in de lucht, des te meer gele en grijze plakkaten.”

Al kan het volgens Van Dort ook op duivenoverlast duiden: „Die schijten alles onder met ammoniak en dat zit ook vol stikstof. En zie je op de boom hier dat het onderste deel met andere mossen begroeid is dan de rest van de stam? Dat komt door de honden die er tegenaan hebben gepiest. Kleine honden, want die onderste moslaag is nog geen dertig centimeter hoog.”

Korstmos is geen mos

Twee jaar geleden werd Van Dort benaderd door een Nederlands bedrijf: of hij wilde meehelpen met het ontwerpen van speciale mosmuren langs snelwegen. Mos had een hoop voordelen, hadden de initiatiefnemers begrepen. Het zou stof vangen, zorgen voor extra zuurstof en het geluid dempen. Ze hadden zelfs een speciaal systeem ontwikkeld om het mos vochtig te houden. „Maar ze zagen een ding over het hoofd: dat mos zou binnen de kortste keren doodgaan door alle uitlaatgassen. Natuurlijk, geel dooiermos kan goed tegen stikstof, maar dat is in feite helemaal geen mos. Het is een korstmos, eigenlijk een samenwerkingsverbond tussen een schimmel en een alg of bacterie, geen plant zoals echte mossen.”

Een muur van korstmossen zou het, afhankelijk van de soort, nog wel kunnen overleven, zegt Van Dort. „Maar zoiets ziet er weer veel minder fraai uit.”

In Duitsland zijn langs de snelweg proeven gedaan, om te kijken hoeveel fijnstof mos opneemt, in de middenberm bij Bonn zijn mosmatten gelegd. Daaruit bleek dat mos alleen fijnstof kan opnemen als het nat is. Droog mos filtert niet.

Wat vindt Van Dort van de mostrend binnenshuis? „Je reinste mosmarteling. Schilderijen van mos, moswanden... Je kunt het zo gek niet bedenken of het is er. Maar dat mos is natuurlijk hartstikke dood. Gemummificeerd, zeggen de ontwerpers dan. Gewoon geïmpregneerd met een of ander goedje zodat het nog een beetje levendig oogt. De ware mosliefhebber die doet zoiets natuurlijk niet. Ja, ik heb ook mos aan de muur, maar dan levende soorten, in letterbakken. En foto’s van mos, heel veel foto’s.”

Als je dan toch iets van mos in huis wilt, zegt hij, neem dan een badkamermat van mos. „Die kun je in Duitsland bestellen. Elke ochtend na het douchen even uitdruppelen op de mat, zodat het groen lekker vochtig blijft.”