Opinie

Kroeshaar

Raar ding: nergens ter wereld was mijn haar ooit een probleem, behalve in het land waar dat haar vandaan komt. De afgelopen maanden werd er op straat naar me getoeterd, werd ik nageroepen en ongevraagd geadviseerd („Koop een kam!”). Tot ik het afknipte. Toen hield het op. Doordat kroeshaar hier gewoon niet in de mode is? Of is het meer?

Op basis- en middelbare scholen is het verboden om kroeshaar los te dragen. Jongens moeten het kort. Meisjes moeten het ‘rechtgetrokken’ dragen of in vlechten. En dan niet heel veel kleine, maar twee. Anders is het te wild. ‘Vernegerd’ heet dat. Marons, de nakomelingen van ontsnapte slaven, de helden van dit land, worden in de stad als uitschot en geboefte gezien. En winti, je zou kunnen zeggen: het geloof waarmee slaven de slavernij overleefden, is ‘afgoderij’.

Ik heb me lang afgevraagd of het heel Hollandsch van me was om zaken die voor veel Surinamers waardeloos lijken, als Surinames grootste kracht te zien. Tot ik besloot: whatever. Mijn overgrootvader was een wintipriester die zichzelf met krachten van de duivel transformeerde in een tigri, een katachtige. Dat zou een vloek kunnen zijn, maar ook een zegen. Want de duivel is zwart. En de tigri is het krachtigste wezen van de wildernis. Ik ben niet bang om te vernegeren. Daarvoor kwam ik hier.

En zo beland ik bij de wekelijkse ‘community dance class’ van Naks, een organisatie die zich inzet voor de Surinaamse cultuur. „Dat onze voorouders slaven waren is maar één kant van het verhaal”, zegt Namofani Betrouw, voorzitter van Naks Wan Rutu, de dansafdeling. „De andere kant is dat ze het hebben overleefd. En dat ze de muziek en het geloof waarmee ze overleefden, voor ons hebben achtergelaten.”

De dansafdeling doet onderzoek naar Afro-Surinaamse dansen, en leert die aan wie ze wil leren. In de groep van deze week zitten, naast 23 jonge Afro-Surinamers, een Javaanse vrouw en een Chinese man. En ja, met Afro-Surinaamse dansen worden wintidansen bedoeld.

Letterlijk vertaald betekent winti ‘wind’. Wij zouden het vertalen met ‘geesten’. Er zijn er honderden, misschien wel duizenden: winti van de aarde, winti van het water, winti van de voorouders. De winti van de slang, de winti van de tigri. Je kunt die winti om hulp vragen. „Maar niet voor elk wissewasje”, zegt Namofani. Niet zoals met de heiligen in de katholieke kerk. Het punt is om erop te vertrouwen dat die winti hun werk al doen, en daarvan de tekenen in de werkelijkheid te zien.

Winti’s hebben hun eigen liedjes. Sommigen werden meegenomen uit Afrika, ze worden nog steeds gezongen in het Afrikaans. Andere liedjes ontstonden tijdens en na de slavernij. De teksten van die liedjes zijn nooit opgeschreven. Ze werden doorgegeven door ze te zingen.

Ook Namofani is geleerd om winti te vrezen. Maar ook zij besloot: whatever. Wat heeft het dansen haar gegeven. Kracht! En plezier! „Hoe ga ik je uitleggen hoe dat werkt?!” roept ze. Het is iets met de drum.

Ik dans niet mee, versta niet wat er gezongen wordt en toch schieten al mijn haren overeind. Het is alsof ik mijn vingers in het stopcontact heb gestoken. Jij zou het ook hebben, als je daar zat. Het zijn de stemmen. En inderdaad: de drum. De drum. De drum. De drum. Je bént de drum. Op oorlogspad. Veel groter dan één mensje. Pas op. Het leger van de tigri’s gaat vooruit en komt eraan.