Wie denk je dat je bent?

Tienduizenden mensen graven via brieven, schoolrapporten en foto’s in hun familiegeschiedenis. Zo maken ze een soort ‘vriendenboek van dooien’.

Het was druk op de Dorpsweg 121 in Twisk, die ochtend in 1981. Het hele dorp was uitgelopen; present om de restauratie van de Nederlands Hervormde Kerk te vieren die na vijf jaar was afgerond. Maar ook om een uniek schouwspel bij te wonen: voor het eerst in de geschiedenis van Twisk zou een vrouw de windhaan op de kerkspits terugplaatsen. Vastberaden klom Trijntje Kay-Koster naar de torenspits; beneden klonk applaus, trompetgeschal en geklik van de camera van de dorpsfotograaf.

Voor even was ze de heldin van het dorp. Daarna raakte de gebeurtenis vergeten. Maar de huis-aan-huisbladfoto van Trijntje en de kerkhaan leeft voort: op de computer van Guda Kay (36). Een baby was ze, toen haar oma de heldendaad verrichtte. Toen Trijntje in 2005 stierf liet ze aan haar kleindochter een hele doos met familiepaperassen na en zette Guda het uitpluizen van de familiestamboom voort.

Guda is niet de enige. In Nederland zijn duizenden, zo niet tienduizenden mensen bezig met het natrekken van hun stamboom. Het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) heeft zo’n 10.000 vrienden, de Nederlandse Genealogische Vereniging (NGV) ruim 8.000. Online zijn diverse gratis ‘stamboomprogramma’s’ te downloaden, met namen als Aldfaer en MyHeritage. Ook buiten Nederland is genealogie populair: in het Verenigd Koninkrijk was afgelopen jaar het twaalfde seizoen te zien van Who do you think you are, waarin bekende Britten voor de camera op zoek gaan naar hun voorouders. De Amerikaanse website Ancestry.com krijgt 12 tot 15 miljoen zoekopdrachten per dag en de website Familysearch.org 35 tot 45 miljoen per dag. Voorouders opzoeken is een van de meest geliefde activiteiten op internet, schreef journaliste Lucia van der Post in de Financial Times: „alleen porno is populairder”.

Grabbelton van genen

„Ooit was het een eenzame zoektocht door archieven en bibliotheken en langs afgelegen kerkhoven; nu ligt dankzij internet de drempel lager”, zegt historicus en journalist Floor Bal (38). In 2014 publiceerde ze bij uitgeverij Spectrum Het Grote Familieboek, vol tips om twee eeuwen familiegeschiedenis (vijf generaties) te achterhalen. „Een soort vriendenboek voor dooie mensen dus. Want eigenlijk is het toch gek dat we maar zo weinig van onze voorouders weten, terwijl zij ons grotendeels hebben gemaakt tot wie we nu zijn: je bent een grabbelton van hun genen. Geschiedenis begint bij je thuis, bij je eigen familie.”

Wie in zijn eigen familiegeschiedenis duikt, verdwaalt algauw in de enorme hoeveelheid voorouders. Bal: „Elke generatie neemt het aantal met een factor twee toe. Met zes generaties zit je op 64 mensen, met zeven op 128. Hoe dat nou kan, hoor ik weleens – als je zo een paar eeuwen terugrekent dan is het getal dat je krijgt veel hoger dan de werkelijke bevolking. Maar hoe verder je teruggaat, hoe meer dwarsverbanden er zijn tussen families. Vele generaties terug zijn jij en ik misschien ook familie van elkaar, en dus delen we deels onze stamboom.”

Niet iedereen heeft tijd en zin om zelf zijn stamboom na te trekken. Op de website van het CBG staat een overzicht van beroepsgenealogen. Het inhuren van zo’n expert kost honderden tot duizenden euro’s, maar dan krijg je wel een mooi ingebonden boekje met je familiegeschiedenis. Henriëtte Hardeman, oud-bestuurslid van de NGV: „Al zie je dat mensen tegenwoordig makkelijk zelf zo’n familieboek in elkaar zetten. Een tijdrovende klus, maar in onze vereniging hebben we toch vooral oudere leden. Die denken: we willen onze familiegeschiedenis doorgeven aan het nageslacht.”

Beroemde verre voorvader

Ook de behoefte om meer over zichzelf te weten te komen is volgens Hardeman voor veel mensen een reden om met stamboomonderzoek te beginnen. „Dan willen ze bepaalde persoonlijke trekjes kunnen verklaren, of zijn ze nieuwsgierig of ze een beroemde verre voorvader hebben.” Toch gaat het veel mensen niet alleen om de stamboom, denkt Floor Bal. „Het is ook een intellectuele puzzel. Denksport. Heel verslavend.”

Soms kan het lastig zijn, bijvoorbeeld als voorouders in het buitenland woonden, of als de geschiedenis te ver terug gaat: voor 1800 was er nog geen vaste spelling, stonden er in oude documenten vaak onbegrijpelijke afkortingen en werden archiefstukken ook nog niet standaard in tweevoud bewaard, vertelt Hardeman. „Dat heeft Napoleon ingevoerd.” Soms ook zijn er familiegeheimen in de doofpot gestopt. Bal: „Dode mensen hebben eigenlijk geen privacy – briefgeheim vervalt op het moment van hun overlijden, en je kunt ongegeneerd in de strafdossiers van je voorouders snuffelen. Als die in een open archief liggen, tenminste.” Hardeman: „Je ziet wel dat onderwerpen waar mensen zich vroeger voor schaamden – buitenechtelijke kinderen, bijvoorbeeld – nu juist als krenten in de pap worden beschouwd.” Een voorbeeld is de bestseller Het Pauperparadijs, waarin schrijfster Suzanna Jansen in de familiegeschiedenis van haar oma Roza Dingemans duikt: vrouw van een steuntrekker en alcoholist, dochter van een bajesklant uit Veenhuizen. Hardeman: „Vroeger – tot een paar decennia geleden – was genealogie niet alleen een elitebezigheid, maar ook een typische mannenhobby. Die trokken vaak alleen de mannelijke lijn na. Nu steeds meer vrouwen met genealogie bezig zijn, wordt er ook meer aandacht besteed aan de grootmoeders en overgrootmoeders.”

De beste plek om zelf met stamboomonderzoek te beginnen? „Ga op visite”, zegt Bal. Oudere familieleden weten wie wie is op familiekiekjes, en helpen je om over het ‘informatiegat’ heen te springen dat ontstaat door de privacywetgeving: veel informatie uit de 20ste en 21ste eeuw is te recent en nog niet opvraagbaar bij overheidsarchieven. En vaak vinden ze het gewoon heerlijk om herinneringen op te halen.’