Opinie

    • Sjoerd de Jong

Salafisten en steenkool: van wie is die opinie eigenlijk?

Hoe origineel, of van eigen signatuur, moet een opiniestuk zijn? Die vraag kwam bij me op door twee stukken die tot lezerspost leidden: een preek over de zegeningen van het salafisme (Salafisme is de oplossing tegen radicalisering, 24 januari), en een lofzang op de zegeningen van steenkool (Ja, steenkool is nodig, 30 januari).

Op het salafisme-stuk kwam kritiek (even afgezien van de taal: een oplossing „tegen” iets?), maar ook op het vervolg. Niet de auteur, Samira Dahri, reageerde in een interview op lezerskritiek, maar haar man, imam Suhayb Salam. Maar wacht even, willen lezers weten, had hij dat stuk soms geschreven?

Het tweede stuk, van filosoof Sebastien Valkenberg, leunde op een bron die hij in de tekst ook noemde, het werk van de Amerikaanse steenkoolverdediger Alex Epstein. Maar wacht eens, twitterden critici, had Valkenberg zelf ook nog iets bedacht, of had hij Epstein „klakkeloos overgeschreven”?

Eerst de salafisten een handje geven.

Verschillende lezers namen hoe dan ook aanstoot aan dat stuk, omdat het propaganda zou zijn voor een verwerpelijke ideologie; columniste Elma Drayer noemde het op de radio „ongelooflijk” dat de krant het stuk afdrukte, want NRC Handelsblad zou toch ook geen racistisch stuk afdrukken?

Nou ja (kuch), over dat laatste lopen de meningen uiteen. Althans: sommige lezers hekelden het vermeende „racisme” van de krant, op grond van een eerder opiniestuk, of van een kop met het N-woord. Nee, racisme hoort niet op een Opiniepagina. Maar dit stuk van Dahri gaf vooral een inkijk in de denkwereld van salafisten. Onthullend, of ontluisterend: de kwalificatie van het bloedbad in Parijs als een „incident” op wereldschaal, of de trouvaille dat verplicht handen geven een vorm van „seksuele intimidatie” is die door de overheid moet worden bestreden.

Waarom kon zij niet zelf reageren op de kritiek? De redactie overlegde immers nog wel met haar, telefonisch en per e-mail, over de bewerking van het artikel. Was dit soms ‘islamisering’: de vrouw mag in de etalage, maar als er klanten binnenkomen moet ze haar mond houden? „Moet ik nu echt geloven dat het stuk door mevrouw Salam zelf geschreven is? Hier heeft de redactie iets uit te leggen”, schreef een lezer.

Hier is de uitleg. De redactie had Dahri gevraagd om te reageren op de kritiek, en zij stuurde prompt een tweede artikel – maar dat was vooral een uitbreiding of herhaling van het eerste (ik heb het gelezen). Dus rees het idee van een interview. Daarvan zei zij: ja, maar dan liever met de imam van mijn moskee, want die heeft er meer verstand van. De redactie wist toen nog niet dat hij ook haar man was.

Daar stemde de redactie mee in, na ruggespraak met vakredacteuren op de krant. Sheila Kamerman, die de imam kent, zegt: „Salam staat in die kringen in hoog aanzien. Hij kon in haar ogen beter reageren op de kritiek. Dat eerste stuk was vooral een cri de coeur.”

Doet het ertoe? Auteursbedrog (je voordoen als een ander) is natuurlijk niet toegestaan, al kan de redactie niet alles controleren (die raadpleegt wel altijd Google en het interne archief, en deed dat ook bij Dahri). Aan de andere kant, politici laten stukken ook wel opstellen door tekstschrijvers – alleen voeren ze er dan wel zelf het woord over. Dat is het hele idee.

In dit geval twijfelt de redactie niet aan haar auteurschap. Volgens Dahri zelf is het heel simpel: „Wij hebben dezelfde mening, dat is waar. Ik heb in het artikel mijn maatschappelijke visie gegeven, maar voor de meer theologische aspecten heeft hij expertise die ik niet heb – vandaar mijn verzoek aan hem.”

Het lijkt me niet iets om vaak te doen, maar in dit geval, van een omstreden en weinig algemeen bekend -isme zoals dit, vond ik het nettoresultaat toch vooral onthullend.

Dan de steenkolen opgraven.

Een opiniestuk moet iets anders blijven, met grondiger en origineler denkwerk

Sebastien Valkenberg, die graag tegendraadse standpunten opzoekt (althans meningen die niet ‘politiek correct’ zijn), zong de lof van fossiele brandstoffen. Hij verwees daarbij naar het „verfrissende” werk van de Amerikaanse moraalfilosoof Alex Epstein, aan wie hij een voorbeeld ontleende over Gambia. Maar ook andere elementen van het betoog haalde hij bij Epstein, die vorig jaar het boek The Moral Case for Fossil Fuels publiceerde: de situatie in Duitsland; het dalende aantal doden door klimaatfactoren.

Kortom, hoe origineel was zijn stuk?

Opinieauteurs hoeven natuurlijk niet alles van de grond af zelf te bedenken – alleen al niet omdat je, in het gevleugelde woord van de Oekraïens-Russische fysicus Vladimir Kosjkin, na je 45ste (of 35ste, de exegese loopt uiteen) toch nooit meer een echt goed idee hebt. Maar duidelijk maken op wiens werk je daverende opinie is gebaseerd, hoort er wel bij.

Valkenberg erkent desgevraagd „enige schatplichtigheid” aan Epstein. Hij zegt: „Ik klim op zijn schouders.” Maar juist daarom noemt hij de man ook expliciet als inspiratiebron. Niet alleen dat, zegt hij, juist omdat bij geen „buikspreekpop” van Epstein wilde zijn, controleerde hij diens bronnen en ontleende hij aan diens werk alleen enkele beweringen en feiten die hij na toetsing voor zijn eigen rekening kon nemen. Letterlijk overgeschreven werd er niets.

„Klakkeloos overschrijven” was dit dus zeker niet. Maar voor een gezichtsbepalend, openend opiniestuk vind ik het ook weer niet ijzersterk. Je loopt het risico van parafrase-opinies oftewel (om er nog eens een -isme bij te halen) Me Too-ism: ik heb iets moois gelezen waar ik het mee eens ben en schrijf dat in andere woorden, met dankbetuiging, nog eens op.

Van mij had de verwijzing naar Epstein dus nog wel wat ruimhartiger gemogen, bijvoorbeeld door de titel van zijn boek te vermelden, al dan niet in een blokje met literatuur en bronnen bij het stuk.

Want ook hier hebben we een -isme te pakken, het ‘eco-modernisme’, waartoe Epstein, en ook Valkenberg, zich rekent: verdedigers van technologische vooruitgang, tegen ecologisch doemdenken. Dat had best zo mogen worden benoemd, want dat geeft de lezer meer nuttige context bij zo’n opiniestuk – net als het kader van de redactie over salafisme bij de imam en zijn vrouw, pardon de auteur en haar man.

Meer in het algemeen: een opiniestuk moet iets anders blijven, met grondiger en origineler denkwerk, dan bijvoorbeeld een reguliere column, waarin een auteur over van alles en nog wat, binnen en buiten zijn expertise, zijn licht kan laten schijnen.

Nu we het daar toch over hebben, ook even het mes langs eigen vlees. Schrijver Hafid Bouazza, niet blij met mijn kritiek op zijn opiniestuk over pathologisch Arabisch machismo, liet op The Post Online weten dat ik zijn stuk compleet verkeerd had gelezen en allerlei beperkende bijzinnen erin over het hoofd had gezien. Nee, hij vond niet alle Arabische mannen „zandnegers” of „scrotumkoppen”. Waarvan akte.

Maar tussen neus en lippen door merkte hij ook op dat ik mijn rubriek van zaterdag 5 december (Islamitische Staat, IS of Daesh) had overgeschreven van mijn collega bij The Guardian, Stephen Pritchard.

Alleen, het stuk van Stephen (ik beken: ik ken hem en mag Stephen zeggen) had inderdaad een vergelijkbare redenering, maar het verscheen ná het mijne. Een dag later bij The Guardian (online op 6 december, 00.03 uur GMT) dan het mijne in de krant stond (5 december, 09.00 uur Rokin Tijd).

Zoveel helderziendheid heb ik helemaal niet geleerd op de lagere ombudsschool!

Bouazza heeft inmiddels per e-mail ruiterlijk spijt betuigd („slordig”) – en die is in dank aanvaard. Zonder beperkende bijzin.

    • Sjoerd de Jong