Oorlog is de grote paradijzenfabriek

Schrijver Arnon Grunberg reisde herhaaldelijk naar oorlogsgebied. Oorlog vernietigt paradijzen, schrijft hij, of is een middel om het paradijs waarin je leeft te beschermen. Zo bezien verschillen de motieven om voor IS te vechten niet zo heel veel van de motieven om dienst te nemen in een westers leger.

Ansichtkaarten uit Kaboel
Ansichtkaarten uit Kaboel

In de zomer van 2015 reisde ik met de auto van Nederland naar Afghanistan, samen met een voormalige Afghaanse asielzoeker die niet alleen behoorlijk ingeburgerd was in Nederland, maar ook gewoon Nederlander was geworden, althans volgens zijn paspoort. Zelf zou hij vermoedelijk zeggen dat zijn ziel ergens onderweg was blijven steken, in een van de voormalige republieken van de Sovjet-Unie.

Hierover schreef ik een serie voor NRC Handelsblad.

Door omstandigheden – ik was ziek geworden – moesten we de reis afbreken in de hoofdstad van Tadzjikistan, Doesjanbe. Vlak voor de poorten van het beloofde land als het ware. We voelden ons allebei een beetje als Mozes, wat te wijten kan zijn geweest aan de uitputting.

Mijn reisgenoot, Qader, wilde zijn vluchtweg uit de jaren negentig nog eens afleggen, precies zoals hij was gekomen, dus over land, maar nu in omgekeerde richting. Therapeutisch ongetwijfeld.

In Doesjanbe zei Qader, kijkend naar de etalages, de cafés, de vrouwen: „Zo was Kabul. Bomen, mooie huizen, winkels. Maar alle bomen zijn gesneuveld in de oorlog. Er was geen brandstof. Kabul is een graf. Een graf van mensen, een graf van bomen.”

Het paradijs heeft altijd het tegendeel nodig, een plek die de absolute ontkenning is van alles wat paradijselijk genoemd kan worden. Veelal heet dat de hel. Het aantal filialen van de hel op aarde is nog altijd immens, misschien is het daaraan te danken dat de behoefte aan het paradijs groot lijkt te zijn gebleven.

Hoe dichter Qader en ik de oorlogszone naderden – Afghanistan mocht nog altijd een oorlogszone worden genoemd –, hoe meer wij over het paradijs spraken. Voor Qader was het Kabul uit zijn jeugd, nog niet vernietigd door verscheidene, geleidelijk in elkaar overlopende oorlogen, nog niet overheerst door een religie die tot staatsdoctrine was verheven, een paradijs.

Voor meer mensen neemt de eigen jeugd gaandeweg paradijselijke trekken aan, een ongeschonden plek waaruit men is verdreven. Ouders, vrienden, geliefden zijn gestorven en de jeugdigere versie van het eigen ik bestaat eveneens niet meer. Oorlog vernietigt ook nog eens het decor van het paradijs. Het huis waar men heeft gewoond, het café waar men voor de eerste keer verliefd werd. Niet alleen de mensen zijn verdwenen, de plekken zelf bestaan niet meer, in het beste geval zijn het plekken die hun onschuld hebben verloren.

Mijn ouders, Duitse Joden, geboren vóór de oorlog in Berlijn, spraken met veel weemoed over het vooroorlogse Berlijn. In hun verhalen werd dat vooroorlogse Berlijn niet alleen een bijna mythische maar ook een paradijselijke plek. Daar was het leven ooit goed geweest, daar was het leven geweest zoals het moest zijn. Ongeveer op dezelfde manier waarop Qader over Kabul sprak, het nog niet vernietigde Kabul. Het leek alsof met de vernietiging van Kabul ook iets in Qader was vernietigd.

Voor de oorlogsvluchteling, voor hen die in exil leven, voor hen die weten dat er geen weg terug is, is het land of beter gezegd de stad van herkomst dikwijls een paradijselijk oord. Het paradijs is namelijk niet zozeer de plek waar men gelukzalige momenten heeft gekend, het paradijs is de plek waaruit men is verdreven. Precies dat maakt het paradijs tot paradijs: de verdrijving. Of de acute dreiging van verdrijving.

Wandelend door Doesjanbe besefte ik dat oorlog de grote paradijzenfabriek is. Voor de vluchteling, het burgerslachtoffer, de soldaat, de gevangene en misschien tot op zekere hoogte zelfs voor de oorlogscorrespondent. Zij zijn uit een paradijs verdreven of kunnen zich verdreven wanen. Vrijwel overal waar het leven tot hel op aarde wordt, produceert ons brein een tegengif, de constructie van een paradijs dat ooit moet hebben bestaan en dat allicht ooit weer zal bestaan. Dit laatste type paradijs, het paradijs van de toekomst, kent gevaarlijke mutaties.

Zelf was ik vier keer eerder, als journalist/romanschrijver, in Afghanistan geweest. In 2006 en 2007 met het Nederlandse leger, in 2011 met het Duitse leger en in 2014 met Qader, maar toen waren we gewoon via Dubai naar Kabul gevlogen.

Wat ik van die reizen had geleerd, en ook van andere reizen naar oorlogsgebieden, met name Irak, was dat de geciviliseerde burger in Europa na 1945 weliswaar diep van binnen een pacifist mocht zijn geworden, maar dat voor sommige van die burgers oorlog toch nog iets meer was dan op zijn best een noodzakelijk kwaad. Een avontuur, een vlucht, de hoop om snel rijk te worden, maar merkwaardig genoeg ook altijd een poging om het paradijs te kunnen betreden.

De weg naar het paradijs loopt via de hel, zoveel was duidelijk. En het PTSD-syndroom is feitelijk vooral verwarring over het verschil tussen die twee entiteiten, of beter gezegd verwarring over de vraag waar men thuis is: in het paradijs of toch in de hel.

Zoals die Nederlandse militair die tegen me zei: „In Afghanistan, daar had ik het gevoel dat ik leefde.”

In landen als Nederland of Duitsland kan men gemakkelijk oud worden zonder ooit een militair tegen te komen. Sinds de dienstplicht in die landen is afgeschaft zijn er alleen nog beroepsmilitairen, wat het nog makkelijker maakt om door het leven te gaan zonder ooit een militair in levenden lijve te hebben ontmoet. Maar zelfs in Amerika, in een stad als New York, kan men gemakkelijk leven zonder ooit met een militair aan tafel te hoeven zitten.

Hoe ver het leger ook van grote delen van de middenklasse in het Westen mag staan, men is niet verbaasd dat veel Amerikanen na 9/11 zich vrijwillig meldden voor het leger. Of dat het aantal aanmeldingen voor het Franse leger vervijfvoudigde na de aanslagen in Parijs van 13 november 2015.

Dat oorlog de hel is, is bekend en het oorlogsenthousiasme van voor 1914 bestaat ook niet meer. Tegelijkertijd moet worden erkend dat er een voorzichtiger, gematigder oorlogsenthousiasme is ontstaan, schijnbaar rationeler, medicinaal. Men spreekt over de oorlog als een gruwelijk maar noodzakelijk medicijn dat toegediend moet worden. En zoals de arts zelden de medicijnen slikt die hij voorschrijft, zo wordt het sneuvelen – nog altijd een van de neveneffecten van oorlog en soms ook meer dan dat – aan anderen overgelaten.

Ik denk aan de an sich te begrijpen maar toch ook simplistische oorlogstaal van Hollande na 13 november. De oorlog wordt wel erkend als een hel, het nieuwe oorlogsenthousiasme gelooft niet meer in frische fröhliche oorlogen, die naïviteit heeft men van zich afgeworpen, maar die hel is een middel om het paradijs waarin wij leven te beschermen.

Oorlog is de paradijzenfabriek, het paradijs zelf is op zijn beurt een machine die op diverse manieren oorlogen produceert.

Natuurlijk kan ook het nieuwe oorlogsenthousiasme worden verklaard. Er is een vijand en die moet bestreden worden. Patriottisme speelt hier vermoedelijk een doorslaggevende rol, al kan patriottisme worden uitgelegd als avonturisme. Die vaderlandsliefde is, zoals al gezegd, ook liefde voor het paradijs. Het paradijs bevindt zich dus óf in het verleden, óf in de toekomst óf het dreigt onder de voet te worden gelopen.

Veel minder begrip is er voor Europeanen of Amerikanen die jihadist worden, die zich aanmelden voor IS. Natuurlijk omdat zij zich aanmelden om voor de vijand te vechten, in die zin zijn het onbegrip en de afkeuring – die twee gaan doorgaans hand in de hand – een natuurlijke reflex.

Wie echter al te comfortabel moralisme laat varen kan concluderen dat de motieven om voor IS te gaan vechten niet zo verschrikkelijk veel verschillen van de motieven van die andere jonge mannen en vrouwen die dienst willen nemen in het Franse of Amerikaanse leger. Oorlogsenthousiasme lijkt op elkaar en zolang er oorlogen zijn geweest is de vijand afgeschilderd als barbaars. De jongemannen die naar het front dienen te gaan moeten natuurlijk wel gemotiveerd worden.

Uiteraard bestaan er moreel gerechtvaardigde en moreel minder gerechtvaardigde of zelfs ongerechtvaardigde oorlogen, maar wie de vijand echt wil doorgronden kan het moralisme beter even loslaten, al was het maar omdat dat moralisme al te gemakkelijk de gedaante aanneemt van mystificatie. En wat er gemystificeerd wordt is uiteraard de vijand, de ander.

In de Nederlandse literatuur en film over de Tweede Wereldoorlog is deze grijze zone dankzij schrijvers als Hermans en Vestdijk en filmmakers als Paul Verhoeven een bekend gegeven geworden; de keuze tussen verzet en collaboratie was dikwijls veeleer een toevallige dan een principiële. Het toeval en ons geweten zijn soms niet van elkaar te scheiden. Maar kunnen wij het toeval vertrouwen?

Men begrijpt niet hoe jonge mannen en vrouwen die leven in het paradijs, Europa of andere delen van het Westen zoals Amerika, besluiten om naar Syrië of Irak te trekken om te vechten aan de zijde van de vijand. Hoe kon men het paradijs achter zich laten? Voor het barbaarse kalifaat van de IS?

Lopend naast Qader door Doesjanbe besefte ik, en niet als een abstracte overpeinzing, maar eerder als een zeer concrete waarneming, dat het paradijs voor hen die het paradijs bereikt hebben nooit meer het paradijs is. De verscheurdheid is tastbaar en dikwijls pijnlijk en die verscheurdheid zet zich voort. De kinderen van Qader, zijn vrouw, zij komt uit Rusland, blijven verscheurd. Anders dan de ouders, anders dan Qader, maar de verscheurdheid is er en die manifesteert zich in tegenstrijdige loyaliteiten. Die tegenstrijdigheid zit in elk mens: aan wie moet ik loyaal zijn, aan mijn verlangen of mijn verantwoordelijkheidsgevoel; het is ook zeer menselijk om die verscheurdheid te ontkennen. Zolang de verscheurdheid zich echter bevindt op het raakvlak tussen verantwoordelijkheidsgevoel en begeerte is dat misschien ook niet zo moeilijk. Maar als de verscheurdheid raakt aan de eigen identiteit en het ik dreigt te ontwortelen – bij welke cultuur hoor ik, kun je meerdere culturen hebben? – wordt het ingewikkelder.

De terrorisme-expert Beatrice de Graaf zei onlangs in een interview dat je geen profiel kunt opstellen van de individuele terrorist. Vaak komen ze uit de kleine criminaliteit, vaak hebben ze broers of zussen die ook terrorist zijn, maar verder verwees De Graaf expliciet door naar de romanschrijver. Die zou meer over de individuele terrorist kunnen vertellen dan de wetenschapper.

Dat mag een compliment lijken voor de romanschrijver, maar ik lees er de suggestie in – het interview ging uitsluitend over islamitische terroristen en niet over bijvoorbeeld rechts-extremistisch terrorisme – dat de jihadist zo vreemd is dat de verbeeldingskracht van de romanschrijver op hem moet worden losgelaten om ons iets bij hem te kunnen voorstellen.

Mij lijkt dat een nederlaag. Zo fundamenteel verschillend van ons is die jihadist namelijk niet, waarmee ik niet wil uitkomen op de gemeenplaats dat wij allemaal jihadisten zouden kunnen zijn, veeleer dat ook de IS-strijder uit Europa of Amerika verlangt naar het paradijs en dat verlangens naar het paradijs altijd op elkaar lijken.

Eer, aanzien, beloningen in de vorm van geld, wapens en seks, de sensatie ergens bij te horen, gevoelens van broederlijkheid en solidariteit, die in onze geïndividualiseerde samenlevingen, zo lees ik steeds weer, verloren zouden zijn gegaan; al deze beloningen kunnen ook na de dood worden uitgedeeld. De belofte van het paradijs na de dood is de troef van alle monotheïstische religies en niet alleen van die religies trouwens.

Wat de IS-strijder van zijn vijand onderscheidt, laat ik zeggen van ‘ons’, zijn verschillende concepten van het paradijs, niet het verlangen ernaar.

In zijn boek De romantische leugen en de romaneske waarheid schrijft de onlangs overleden filosoof en literatuurwetenschapper René Girard over de driehoeksbegeerte. Alle begeerte is bemiddeld. Als voorbeeld noemt hij Don Quichot, die zich laat meeslepen door ridderromans. Tussen het subject dat begeert en het object dat begeerd wordt bevindt zich de bemiddelaar. In het geval van Don Quichot zijn dat de schrijvers van ridderromans, het grote voorbeeld van Don Quichot is de fictieve ridder Amadis. Over de schrijvers van die ridderromans merkt Girard op: „Zijn [Don Quichotte’s] favoriete schrijvers zijn evenmin dom – zij nemen hun eigen fictie niet serieus.”

Onze constructies van het paradijs zijn evenmin hoogst individuele constructies, zij zijn net als onze begeerte, als ik Girard mag navolgen, ‘bemiddeld’. Dat wil zeggen, er is een model, het paradijs is al voor ons geconstrueerd, wij hoeven nog alleen maar de juiste stap te zetten om er te komen.

Of we het nu over Bin Laden hebben of over Al-Zarqawi of Al-Baghdadi, zij zijn de bemiddelaars, zij bemiddelen de begeerte van sommigen die teleurgesteld zijn in het westerse paradijs. En zij beriepen zich op hun beurt weer op bemiddelaars van lang voor hen.

De constructie van hun verlangen, waarmee zij jeugd over de hele wereld bewerkt hebben en bewerken verschilt niet wezenlijk van het mechanisme dat in Madame Bovary werkzaam was. Zij nemen de fictie te serieus en de destructie lijkt dan niet alleen onvermijdelijk maar ook nog romantisch.

Dat veel jihadisten fan zijn van Scarface met Al Pacino is een indicatie dat wij het romantische gehalte van het jihadisme niet moeten onderschatten.

Natuurlijk is er een verschil tussen Emma Bovary en de gemiddelde jihadist. Zij vernietigt alleen zichzelf en psychologisch gezien misschien haar gezin. Zij verlangt naar romantische liefde, niet naar oorlog. Maar dankzij haar schepper, Gustave Flaubert, kunnen we ook de monsterlijke kant in haar, en dus in onszelf herkennen.

Als er iets is in de westerse traditie dat de moeite van het verdedigen waard is, is het de humanistische gedachte dat het monster zich in eerste instantie niet in de ander bevindt, maar in onszelf.

Voor Qader is het verlangen naar het paradijs een ironisch verlangen, hij kan de fictie niet serieus nemen. Het geïroniseerde verlangen mondt uit in weemoed. Misschien is dat beschaving.

Maar er waren en er zullen altijd mensen zijn die de fictie bloedserieus nemen, waarbij wederom moet worden aangetekend dat veel meer nog dan de liefde waarin Emma Bovary zich verloor, oorlog de grote paradijzenfabriek is.