Migranten crimineler? Niet selectief shoppen in onze cijfers

Nee! Migranten komen niet vaker in aanraking met de politie dan autochtonen met vergelijkbare sociaal-economische kenmerken. Onze gegevens lenen zich niet voor vrije interpretatie, waarschuwen Godfried Engbersen, Roel Jennissen en Jaco Dagevos.

Kort geleden publiceerden wij de ‘policy brief’ Geen tijd verliezen: van opvang naar integratie van asielmigranten. Die bevatte onder meer een analyse van de mate waarin asielmigranten die in de tweede helft van de jaren negentig naar Nederland zijn gekomen (en nog altijd hier verblijven), betrokken zijn bij criminaliteit. Daarvoor is een uniek bestand van 33.000 asielmigranten gekoppeld aan een bestand van de Nederlandse politie over de geregistreerde criminaliteit.

In dat samengestelde bestand vinden we vooral asielmigranten uit Irak, Iran, Afghanistan, voormalig Joegoslavië, Somalië, overig sub-Sahara Afrika en overige niet-westerse landen buiten Afrika. Omdat het bestand groot is, kunnen we onderbouwde uitspraken doen over de gevoelige relatie tussen asielmigratie en criminaliteit.

1. Asielmigranten belanden drie keer zo vaak als verdachte in de politiestatistieken als autochtone Nederlanders. Bijna 4,0 procent van de asielmigranten wordt jaarlijks geregistreerd als verdachte van een misdrijf, in vergelijking met 1,3 procent van de autochtone Nederlandse bevolking.

2. Asielmigranten zijn niet vaker betrokken bij criminaliteit dan autochtone burgers – mits we rekening houden met de samenstelling van de groep. Dat betekent dat we corrigeren voor kenmerken die belangrijk zijn voor het verklaren van criminaliteit. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk dat jonge, alleenstaande mannen met een laag inkomen en woonachtig in grootstedelijke gebieden naar verhouding vaker delicten plegen. Oftewel: autochtonen met dezelfde kenmerken als asielmigranten staan ongeveer even vaak als verdachte geregistreerd. Deze tweeledige boodschap heeft in de sociale media, en zelfs bij De Wereld Draait Door, tot veel verwarring en polemiek geleid. Twee zaken springen eruit.

Ten eerste het selectieve gebruik van cijfers. Sommige scribenten rekenen zich rijk aan criminaliteit door vooral de relatieve verhouding tussen asielmigranten en de Nederlandse bevolking te benadrukken („drie keer zo veel als”). Maar ze noemen dan niet de verhouding, namelijk 1,3 procent en 4,0 procent. Ook laten ze na om te vertellen dat het, net als bij de rest van de Nederlandse bevolking, vooral vermogensdelicten betreft.

Anderen wijzen alleen op de gecorrigeerde cijfers en menen dat er weinig aan de hand is. Maar zij gaan voorbij aan de reële veiligheidsrisico’s die de instroom van asielmigranten met een bepaalde samenstelling kan hebben. Dat 4,0 procent van een bevolkingsgroep in een jaar als verdachte staat aangemerkt is substantieel, zeker als je weet dat het hier om geregistreerde verdachtencijfers gaat die bij lange na niet alle criminaliteit beschrijven.

Een tweede opvallend element in het debat is de beschuldiging dat criminaliteit wordt weg gepoetst of verbloemd. Waarom is het nodig te corrigeren? De ‘statistisch gecorrigeerde’ vluchteling bestaat immers niet in de werkelijkheid. En de overlast wordt er niet minder door.

Wordt je fiets gestolen door een mannelijke, jonge, alleenstaande werkloze Irakese asielmigrant, dan zal het je hoogstwaarschijnlijk een zorg zijn dat deze asielmigrant het wellicht niet had gedaan als hij ouder was geweest, een gezin of een baan had gehad, of van het vrouwelijke geslacht was geweest.

En toch is de uitkomst dat asielmigranten niet vaker worden verdacht van misdrijven dan autochtone Nederlanders met vergelijkbare demografische – en sociaal-economische kenmerken (man, jong, alleenstaand en werkloos), belangrijk. Daaruit kunnen we namelijk afleiden dat etnisch-culturele factoren bij de verklaring van de geregistreerde criminaliteit onder asielmigranten van ondergeschikt belang lijken te zijn.

Een relevante uitkomst, omdat in het debat over asielmigranten en criminaliteit vaak wordt beweerd dat religieuze factoren, in het bijzonder de islam, een grote rol spelen. Maar dat blijkt niet uit onze analyse, waarin veel personen met een moslimachtergrond zijn opgenomen.

De uitkomst dat etnisch-culturele factoren een beperkte rol lijken te spelen bij de verklaring van verschillen in criminaliteit, is zeer relevant voor het beleid. Verdwijnt de oververtegenwoordiging na correctie van demografische en sociaal-economische kenmerken, dan hoeft de overheid de criminaliteit onder asielmigranten niet op een andere manier aan te pakken dan gebruikelijk.

Onze analyses hebben betrekking op asielmigranten die in de tweede helft van de jaren negentig naar Nederland kwamen. De bevindingen zijn daarom niet één-op-één te vertalen naar de huidige asielmigranten. Niettemin zijn deze groepen asielmigranten redelijk met elkaar te vergelijken. Ze lijken in ieder geval meer op elkaar dan op de doorsnee Hollander.

WRR-Policy Brief: Geen tijd verliezen, van opvang naar integratie

Er bestaan ook verschillen tussen de migrantengroepen van toen en nu. Zo zijn er aanwijzingen dat het aandeel mannen, jongeren en alleenstaanden nu flink hoger is dan in de jaren negentig. Deze personen durven eerder de hachelijke reis over de Middellandse Zee richting Europa aan. Op basis van deze kenmerken verwachten we dat de huidige asielzoekers vaker in aanmerking met justitie zullen komen dan zij die in de jaren negentig arriveerden.

Of bij de huidige asielmigranten etniciteit of hun culturele achtergrond opnieuw een ondergeschikte rol zal spelen, is moeilijk te zeggen. Wel zijn sociaal-demografische factoren belangrijk. Om criminaliteit te voorkomen, moet het beleid er daarom op gericht zijn te grote concentraties van jonge alleenstaanden te voorkomen. Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld in het voormalig ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Den Haag. In dit gebouw is plaats voor asielmigranten met een verblijfstatus, maar ook voor internationale studenten, EU-arbeidsmigranten en startende ondernemers.

Daarnaast is een secure en snelle asielprocedure van belang. En ook zouden asielmigranten die een verblijfsvergunning krijgen, snel een opleiding moeten kunnen volgen of aan het werk moeten kunnen gaan.

Bij omstreden kwesties wordt wel vaker zeer selectief gebruik gemaakt van cijfers. Maar in het gepolariseerde klimaat rondom vluchtelingen wordt wel erg selectief geshopt. Cijfers worden in het extreme geduid: alarmerende duidingen staan tegenover geruststellende interpretaties dat het allemaal wel meevalt en goed komt. Wie zich positioneert aan de ene kant van het spectrum, krijgt het label van de ander ( ‘Gutmensch’ of populist/racist) toegemeten.

In zo’n klimaat gaat een tweeledige boodschap van de ‘policy brief’ snel verloren, terwijl beide boodschappen belangrijk zijn: criminaliteit is een reëel probleem, maar vooral het gevolg van algemene sociaal-demografische factoren en niet van etnisch-culturele. Dat bekt misschien niet lekker, maar het beeld is nu eenmaal gelaagd.

Dat selectieve gebruik van cijfers blijkt ook uit de diverse reacties op de cijfers die het ministerie van Justitie en Veiligheid afgelopen weekeinde naar buiten bracht over incidenten op en rond opvanglocaties voor asielmigranten. De aard van deze gegevens laat niet toe om eenduidige conclusies te trekken over asielmigratie en onveiligheid. Toch gebeurt dat wel.

Ook worden de gegevens gebruikt om zaken op te blazen of juist toe te dekken. De maatschappelijke spanningen die het vluchtelingenvraagstuk met zich meebrengt, vragen om beleidsmakers en journalisten die niet alleen op hun woorden letten, maar ook op hun cijfers. Betrouwbare cijfers en precieze duidingen zijn essentieel voor zorgvuldige mening- en beleidsvorming.

Ook voor onderzoekers geldt dat zij het hoofd koel moeten houden en nauwkeurig dienen te beschrijven en verklaren. Daar hoort bij dat zorgelijke bevindingen worden gerapporteerd, evenals relativeringen indien nodig.

Onderzoekers moeten ervoor waken dat zij als zaakwaarnemer gaan optreden voor asielmigranten of als grensbewaker tegen asielmigranten.