De Willemsvaart door Panama

Een wilde onderneming van Willem I in Zuid-Amerika speelde een rol in de afsplitsing van België van Groot-Nederland.

In De Curaçaosche Courant van 5 februari 1825 verschijnt een opmerkelijk gedicht: ‘Op het Nederlandsche gezantschap naar de republiek van Colombia’. Voor ons in 2016 is dat even schakelen. In 1825 staat Willem I aan het roer, sinds 1815 koning van een groot Nederland (inclusief België en Luxemburg). Ook wel koopman-koning genoemd, koperen koning (vanwege alle in Zuid-Nederland rondgestrooide centen, oortjes en stuivers), in satirische prenten en geschriften ook wel Wim Kaaskooper geheten. Willem was als lid van het onaanzienlijke huis van Oranje door het Weense Congres opgebombardeerd tot zetbaas van een geconstrueerde bufferstaat tegen een eventuele nieuwe Napoleon. We kennen hem ook als vaderlands kanalenbouwer (Willemsvaart, Willemskanaal, Groot Noord-Hollands Kanaal, etc.) en dat hij ten slotte met zijn autistische en paranoïde autocratie binnen vijftien jaar België wist kwijt te spelen, vervult ons nog steeds met spijt. Niet direct een Macher met succes, onze eerste koning. Maar Willem I als buitenlandpoliticus? De zondagspoëet in de 1825-editie van De Curaçaosche Courant zingt: ‘Zoo is dan eind’lyk ook het tydstip eens verschenen,/ Dat zich Colombia met Neèrland kan verëenen,’ Huh? Schakelen dus.

Over de hoogst opmerkelijke Zuid-Amerikaanse ambities van Willem I verscheen Groot-Nederland & Groot Colombia 1815-1830 van Sytze van der Veen. Ook hij schetst Willem I als zetbaas, die zich aanvankelijk laat kooien door de alliantie van Waterloo-overwinnaars (Pruisen, vooral Engeland). De eerste tien jaar richt onze koning zich vooral op de binnenlandse politiek – samensmeden van Noord- en Zuid-Nederland. Dat lijkt succesvol. Omstreeks 1825 is Willem I op het hoogtepunt van zijn macht. Van de eensgezindheid in de Alliantie is intussen weinig meer over, en hij ruikt zijn kans op groter glorie voor het Oranjehuis. Sinds 1810 bestaat de reusachtige, ‘liberale’ Republiek Gran-Colombia, een amalgaam van de huidige republieken Colombia, Venezuela, Panama en Ecuador, na een geslaagde opstand tegen Spanje. Dat laatste schiep een historische band. Holland had immers onder Willem de Zwijger hetzelfde gepresteerd. Dat Willem I nu niet direct een liberaal van het revolutionaire type was zoals de toenmalige Zuid-Amerikaanse held Simon Bolivar, deed daar niets aan af.

Simon Bolivar

Koning Willem was en bleef in de eerste plaats koopman. Hij runde Nederland als een onderneming, waarvan hij zelf groot aandeelhouder was. Zijn droom was een lucratief handelsverbond te stichten met Gran-Colombia, met ons eigen Curaçao als bloeiend middelpunt. Stoomraderboten zouden de verbinding vormen, de befaamde vestingbouwer Kraijenhoff kreeg alvast opdracht van het eiland voor een nieuw (onneembaar) commercieel centrum. Willem I had een hoogst batig slot voor ogen. Hij stichtte de Nederlandsche Handels Maatschappij, die in eerste instantie op de West gericht was. Pas later zou die de spil worden in de handel op Nederlandsch Oost-Indië en als zodanig door Multatuli op de korrel genomen.

Voor zo’n politiek zijn nauwe banden met Gran-Colombia van levensbelang. Willem I stuurt als consul vermomde handelsagenten. De zondagsdichter van De Curaçaosche Courant beschrijft een warm onthaal: ‘Zeg aan den Koning die U herwaarts heeft gezonden,/ Dat onzen wensch is om met hem te zyn verbonden,/ Dat Bolivar en ik en deez' vergadering/ Met achting zyn bezield voor een afstammeling,/ Van d’ eersten Willem en der Prinsen van Oranje.’

Maar de werkelijkheid is weerbarstig. Het landsbestuur van Gran-Colombia blijkt evenzeer een oerwoud als het land zelf, aan deze kant van de oceaan zit een koninklijke oogkleppendirecteur. De soms pijnlijk puntig en immer helder formulerende Sytze van der Veen beschrijft het allemaal uitgebreid in Groot-Nederland & Groot Colombia, met smaak en oog voor bonte personages. Dwarsliggende ministers, rare avonturiers, misverstanden, onnozelheden. ‘Dat Colombia aan Neerland zich verbind./ Wyl deze Republiek uw vorst en volk bemind,/ Zoo stroomt de zegen op de beide volken neder,’ zegt onze dichter in 1825. Noem dat maar eens ‘zegen’.

Droomproject

In 1827 wordt in Gran-Colombia het plan opgevat tot doorgraving van Amerika op zijn smalst. Onmiddellijk rijst een visioen bij onze kanalenkoning: Willemsvaart door Panama, een droomproject! Het ging vast minder kosten dan het kanaal van Den Bosch naar Maastricht, zoals een van zijn gezanten beweerde. Het zou bovendien ‘een onfeilbaar middel’ zijn tot bevordering van de stabiliteit van in het toenemende chaos verkerende Gran-Colombia, grootse inkomsten generen, en Curaçao en daarmee de Nederlanden opstoten in de vaart der volkeren. Een win-win-et cetera-situatie. De koning richtte weer eens een projectonderneming op, de West-Indische Maatschappij, voor driekwart in eigen bezit. Het zou hem een strop van krap vier miljoen opleveren die hij overigens creatief afboekte op de nationale schatkist. Voorlopig echter leek zijn ‘wereldwijde raderwerk’ zoals Van der Veen het noemt volop in beweging.

Dansen op de vulkaan

In het binnenste van zowel Gran-Colombia als Groot-Nederland rommelde het. Bolivar zag zijn heerschappij betwist, Willem I werd in Zuid-Nederland geconfronteerd met een andersoortig liberalisme dan het zijne. Met name zijn voortrekken van Waalse industriëlen en zijn hardnekkige pogingen het katholieke Zuiden protestants te maken hadden aldaar veel verzet gewekt. In dit verband werpt Sytze van der Veens boek een verrassend nieuw licht op de halfhartigheid waarmee Willem I de groeiende onvrede in de Zuidelijke Nederlanden tegemoet trad, en de even zo grote tweeslachtigheid waarmee hij reageerde op de revolutie die in 1830 zou leiden tot het afzonderlijk Koninkrijk België onder Leopold I: Willem was veel te druk met zijn verre Willemsvaart.

In 1830 viel het doek. Groot-Colombia sneuvelde, Bolivar stierf, diens grote opponent Santander week uit. Nota bene naar Brussel. Waar hij uitgerekend in de Muntschouwburg de opera La Muette de Portici bijwoonde, ontbrandingspunt van de Belgische revolutie. De werkelijkheid kan onwaarschijnlijk zijn, en feiten ongeloofwaardig.

De hele Colombia-episode in het koningschap van Willem I vertoont op vele punten de trekken van een klucht – men kan het nauwelijks zo gek verzinnen. En de Belgische opstand in 1830 met inbegrip van de ‘heldendaad’ van Jan ‘dan liever de lucht in’ van Speijk en de Tiendaagse Veldtocht (waarvan overigens twee rustdagen) in het jaar daarop lijken op een tragikomedie.

Tragisch ronduit is intussen de afloop voor Groot-Nederland. Wat Oranjekoning Willem I ook heeft bijgedragen aan de welvaart van ons land, zijn halsstarrig negeren van de realiteit (België zelfstandig) deed hem tot in 1839 een groot, peperduur leger op de been houden. Toen de koopman- en kanalenkoning in 1840 troonsafstand deed, was ook zijn onderneming Nederland zo ongeveer failliet.