Bosch’ werk is een pleidooi voor eigenzinnigheid

Volgende week zaterdag gaat de grote Jeroen Bosch-tentoonstelling in Den Bosch open. Zijn voorstellingen zijn op een dubbelzinnige manier moralistisch. „Is het een droom? Een trip? Een angstvisioen? Hoe het ook zij: als toeschouwer kun je je ogen er niet van af houden.”

Portret van Bosch, Jacques Le Boucq (ca. 1550)
Portret van Bosch, Jacques Le Boucq (ca. 1550) Arras, Bibliotheque Municipale

Kwam dat even goed uit! Maandag bracht het Bosch Research and Conservation Project (BRCP) naar buiten dat er in het Nelson-Atkins Museum of Art in Kansas City een ‘nieuwe’ Bosch was ontdekt: een echte heilige Antonius. Het was een mooie vondst, al was het dan ook overduidelijk een detail van een werk dat ooit veel groter moet zijn geweest – en dat het nieuws net even voor het openen van de grote tentoonstelling werd gepubliceerd was ongetwijfeld toeval. Dat de vondst toch interessant was, kwam dan ook vooral door het onderwerp. Antonius van Egypte (ook wel Antonius de Heremiet genoemd) was een heilige die leefde van 251 tot 356 na Christus. Hij werd geboren uit rijke ouders, maar gaf later al zijn bezittingen weg en trok zich terug in de Egyptische ‘woestijn’ (die er op veel vijftiende- en zestiende-eeuwse schilderijen, ook die van Bosch, overigens heerlijk groen bij ligt) om zich volledig aan God te wijden. Dan komt de knik: want volgens de, wat minder feitelijke, overlevering, werd Antonius in zijn afzondering vervolgens bezocht door de duivel die de standvastigheid van zijn geloof probeerde te testen. Monsters. Fantasiebeesten. Vrouwen. De duivel probeerde de aankomende heilige kortom te ‘verleiden’.

En daar begint het.

Want juist de manier waarop Jheroniumus Bosch (ca. 1450-1516) die apocriefe duivelsverleiding heeft verbeeld is veelzeggend voor hem. Of het nu zijn meesterwerk De tuin der lusten is of het Weense Laatste Oordeel: alle werken die we tegenwoordig als kenmerkend voor Bosch beschouwen gaan over de confrontatie van goed en kwaad. Of beter: veelzeggend is de manier waarop zowel de hoofdpersonen van de schilderijen als de toeschouwer zich tegenover het kwaad staande houden. Je ziet het al op het bescheiden Kansas-werk: terwijl de heilige rustig zijn kruik zit te vullen (en vast even wegdroomt) komt de duivel aanstormen. Hij is een trechter-met-staart die zwaait met een klein zwaard, een vis-met-vogelonderlijf die op de oever ligt te spartelen, en ook nog minstens twee gehoofddoekte wezens: een soort das met een vleugel (of is het een houten poot?) en een vreemd zoogdier met een lepelaarsbek, dat aan een gedekte tafel in het water zit te wachten tot hij met zijn maaltijd kan beginnen. Is het een droom? Een trip? Een angstvisioen? Hoe het ook zij: als toeschouwer kun je je ogen er niet van af houden – en besef je nauwelijks dat Bosch je op dat moment al te pakken heeft, met de volle dubbelzinnigheid van dit werk. Want: de duivel mag dan nog druk bezig zijn de onwillige Antonius te bewerken, jij, de toeschouwer, bent al in zijn ban. Kijk jezelf kijken! Dit mag dan het kwaad zijn (je weet het, het verschuilt zich niet), je kunt je ogen er niet vanaf houden – die kip aan het spit, die parmantige dassensnuit, dat monnik-achtige monster. Het is zo anders, zo vreemd, zo verleidelijk. Trouwens: Antonius, die trekt zich er niks van aan. Die is wél standvastig in zijn geloof.

Vrije geesten

Precies dit dubbelzinnige moralisme (gretig laten zien wat je niet moet doen – zie de huishoudens van Jan Steen) was, in al z’n verleidelijkheid, ongetwijfeld een belangrijke drijfveer voor Bosch om met het schilderen van de Heilige Antonius te beginnen (hij schilderde er nog zeker twee, en een Hieronymus, en twee Johannessen, en zelfs een prachtig heremieten-drieluik). Zo kon hij als kunstenaar zijn toeschouwers verleiden, ze de meest fantastische voorstellingen voortoveren, maar toch laten zien dat hij aan de goede kant stond. Kijk maar, het was allemaal voor het goede doel: ook jij, toeschouwer, staat bloot aan verleidingen, de duivel is overal, maar geïnspireerd door Antonius, Hieronymus en Johannes sla je je er wel doorheen.

Deze Bosch is echter nogal op de achtergrond geraakt. Tegenwoordig zien we onze kunstenaars liever anders: niet als enigszins opportunistische moralisten, maar als vrije geesten die, zonder zich iets van anderen aan te trekken, hun eigen wereld scheppen, met eigen wetten en normen. En juist die rol past Bosch perfect, vooral door zijn unieke rol in de vroeg zestiende-eeuwse kunst. Oké, Bosch was misschien niet de eerste die heiligen, duivels en verzoekingen verbeeldde (zo bestaat er een prachtige prent van Martin Schongauer uit ongeveer 1470 waarin we Antonius met een roedel duivels door de lucht zien vliegen, een beeld dat Bosch in zijn Antonius-drieluik ook zou gebruiken) maar Bosch is wel de eerste die het verbeelden van onzichtbare, gefantaseerde krachten tot de kern van zijn wereldbeeld maakte. Vergelijk dat eens met tijdgenoten als Geertgen tot Sint Jans, Albrecht Dürer of Hans Memling: virtuoze schilders stuk voor stuk (technisch misschien nog wel beter dan Bosch), maar allemaal ook vastgeklonken aan óf de traditionele werkelijkheid (bij hun portretten) of aan de vaste riedel bijbelvoorstellingen – kruisafneminkje hier, Christusportretje daar. Als ze al eens uit de bocht vlogen, zoals Dürer in zijn Vier Ruiters van de Apocalyps, bleef dat een uitzondering.

Nee, dan Bosch. Bosch is met z’n fantasie, z’n vrijheid, z’n onbegrensdheid, z’n oog voor zowel het kwaad als de absurditeit van het leven, precies het soort kunstenaar dat we in dit laatromantische tijdperk graag zien – Isa Genzken, nu groots in het Stedelijk, is in heel veel opzichten een directe nazaat. Sterker nog: Bosch was, zo bekeken, gewoon de eerste moderne kunstenaar. En juist in die rol wordt hij steeds actueler.

Toen Bosch in de loop van de twintigste eeuw langzaam weer populair begon te worden (nadat hij in de achttiende eeuw lang vergeten was, net zoals trouwens latere collega’s als Hals, Vermeer en Fabritius) gold hij aanvankelijk vooral als een kunstenaar die de grenzen van de fantasie aftastte. Daarom werd hij eerst populair bij de surrealisten (ook Dalí schilderde nog eens een Heilige Antonius) en kwam hij aan het einde van de jaren zestig opnieuw in de belangstelling als een soort oerhippie (zelf kan ik geen verwijzing naar Boudewijn de Groots Land van Maas en Waal meer hóren). Dat was ook de tijd waarin men begon te speculeren of hij een zestiende-eeuwse versie van lsd zou hebben gebruikt of misschien lid was van een geheim genootschap. Dat kwam mede omdat niemand ooit met zekerheid een idee heeft gekregen over wat de achtergronden en inspiratiebronnen van zijn verbeeldingswereld waren. De gekte van Bosch is ongrijpbaar en blijft daardoor juist tot de verbeelding spreken.

Vrijheid

Misschien is het daarom wel tijd voor een nieuwe Bosch: als de kunstenaar die ons herinnert aan de waarde van artistieke vrijheid. Want juist de vrijheid en de onvoorspelbaarheid die Bosch tot zo’n groot kunstenaar hebben gemaakt, staan de laatste jaren steeds meer onder druk, zowel binnen de kunstwereld als daarbuiten. Bosch was ongetwijfeld een buitenstaander, een eenling, net als alle kluizenaars die hij schilderde. En hij werd zo’n geweldige kunstenaar omdat hij zich, net zoals zijn kluizenaars, niet op andere gedachten liet brengen door de mores van zijn tijd, hoe dreigend of verleidelijk de duivels ook waren. Zo bekeken is het werk van Bosch eigenlijk een groot pleidooi voor het koesteren van je eigen fantasie en idealen, voor de kracht om je eigen koers te varen – en zo’n pleidooi is, juist in een wereld waarin de hel steeds vaker gewoon op tv is te zien, heel actueel. Bosch herinnert ons eraan dat vrijheid en morele inzichten heel goed kunnen samengaan – dat leverde bij hem in ieder geval fantastische kunstwerken op.