Politici, graag wat moediger alstublieft

Sharia-wetgeving kun je wettelijk niet tegenhouden, stelde toenmalig minister van Justitie Piet Hein Donner ooit. Hoe fataal is zo’n fatalistische opvatting voor de democratie?

Catalogus van de expositie ‘Weerbare democratie’ in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, in 1946
Catalogus van de expositie ‘Weerbare democratie’ in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, in 1946

In september 2006 veroorzaakte de toenmalige minister van Justitie Piet Hein Donner veel ophef door in een interview met Vrij Nederland te verklaren dat als tweederde van de kiezers de sharia zou willen invoeren, de grondwet dit toestaat. ‘Zoiets kun je niet wettelijk tegenhouden. Het zou ook een schande zijn om te zeggen: dat mag niet! De meerderheid telt. Dat is nou juist de essentie van democratie.’

Op het eerste gezicht leek hier staatsrechtelijk geen speld tussen te krijgen. Als een streng islamitische partij alle democratische horden weet te nemen – en er dus in geslaagd is vele niet-moslims te overtuigen van de heilzaamheid van de sharia – en in het parlement over een tweederde meerderheid beschikt, is het staatsrechtelijk toegestaan om de grondwet zodanig te wijzigen dat deze niet langer de basis vormt van de rechtsstaat zoals wij die kennen. Een grondwet dus zonder machtenscheiding, scheiding van kerk en staat, democratisch gekozen bestuur, en zonder grondrechten als vrijheid van godsdienst, vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting. Als er op democratische wijze een einde wordt gemaakt aan de democratie, dan is daar niets aan te doen.

Een ‘democratische zelfmoord’ is in Nederland vooralsnog een strikt hypothetische kwestie, maar de geschiedenis kent hier wel voorbeelden van. De locus classicus is de ondergang van de Weimarrepubliek, waar Hitler na de mislukte putsch van 1923 een legale koers volgde en zijn NSDAP via verkiezingen de grootste partij in de Rijksdag werd. Ook toen waren er democraten die er dezelfde fatalistische visie op na hielden als Donner. De staatsrechtgeleerde Hans Kelsen meende dat een democratie niet het recht had anti-democratische partijen te verbieden, omdat ze dan ophield te bestaan. De democratie was immers waardeneutraal, alle opvattingen waren gelijk: ‘Men moet trouw blijven aan zijn vlag, ook wanneer het schip zinkende is; en men kan in de diepte alleen maar de hoop meenemen dat het ideaal onverwoestbaar is en dat het, hoe dieper het zinkt, des te hartstochtelijker zal herleven.’

Protest

Dit wordt wel de formele opvatting van democratie genoemd, die ook nu nog veelvuldig gehoord wordt als het gaat om de deelneming van fundamentalistische moslimpartijen aan verkiezingen. Hiertegen werd toen al protest aangetekend, onder andere door de Duitse staatsrechtgeleerde Karl Loewenstein, die in 1933 naar de VS vluchtte. In een beroemd artikel uit 1937 keerde hij zich tegen het formalisme en fatalisme van onder meer Kelsen, en stelde dat ‘democracy must become militant’. De democratie moest bereid zijn haar waarden en instituties te verdedigen en hard op te treden tegen anti-democraten. Dit concept van militant democracy werd tijdens de oorlog opgepikt door de VS en speelde na 1945 een grote rol bij de totstandkoming van de Bondsrepubliek, waar het idee van een streitbare Demokratie in de grondwet verankerd werd.

In zijn dissertatie Weerbare democratie stelt de Leidse rechtsfilosoof Bastiaan Rijpkema dat deze ‘materiële’ democratieopvatting – democratie heeft betrekking op procedures maar ook op waarden – verre te prefereren is boven de formele opvatting van Kelsen, maar dat Loewenstein hiermee nog steeds geen antwoord heeft gegeven op de vraag wat democraten het recht geeft anti-democraten buiten de wet te stellen. Hoewel Loewenstein internationaal gezien wordt als de ‘vader van de weerbare democratie’, komt die eer volgens Rijpkema eerder toe aan George van den Bergh (1890-1966).

Partijverbod

Deze sociaal-democratische staatsrechtgeleerde leverde in 1936 in zijn oratie De democratische Staat en de niet-democratische partijen de juridische en politiek-filosofische legitimatie om geweldloze anti-democratische partijen te verbieden – voor gewelddadige organisaties volstaat uiteraard het strafrecht. Van den Bergh was dus niet alleen een jaar eerder dan Loewenstein (waarbij Rijpkema over het hoofd ziet dat deze al in 1931 pleitte voor een verbod van anti-democratische partijen), maar hij gaf ook antwoord op de vraag waarom democraten mogen overgaan tot een ogenschijnlijke anti-democratische maatregel als een partijverbod.

Bij democratie gaat het om zelfbestuur door de bevolking en staan twee waarden voorop: geestelijke vrijheid en gelijkheid voor de wet. Kenmerkend voor een democratie is dat het een debat zonder eind is, en dat na uitvoerig debat elk besluit herroepen kan worden. Er is echter één besluit dat niet – althans op geweldloze wijze – herroepen kan worden, en dat is het besluit om de democratie af te schaffen. Democratie gaat dus volgens Van den Bergh om zelfcorrectie – zodra die in gevaar komt is het noodzakelijk op te treden.

Waarden

Volgens Rijpkema is dat idee een synthese van een democratieopvatting die de nadruk legt op procedures en het idee dat het bij democratie om waarden gaat. Hierdoor vormt het de beste basis voor een theorie van de weerbare democratie. Hij werkt dit in zijn boek op heldere wijze uit en gaat uitgebreid in op tal van rechtsfilosofische en praktische bezwaren.

Ook besteedt hij aandacht aan het cruciale aspect van timing: je moet het middel van partijverboden niet te vroeg inzetten, maar de zaak ook niet te lang laten door etteren. Interessant is ook zijn pleidooi voor een moediger opvatting van politiek, waarin het maken van fouten niet wordt gezien als onvergeeflijke zonde – waarop men ‘afgerekend’ wordt – maar als stappen op weg naar groter inzicht. Een weerbare democratie begint niet bij het verbieden van uitgesproken anti-democraten, maar bij democraten die niet terugdeinzen voor debat en die ook bereid zijn tot zelfcorrectie.