‘Nee man, dit klinkt supervet’

Het psychedelische trio DeWolff nam afgelopen zomer een nieuwe plaat op in hun studio vol analoge apparatuur. „’s Nachts zijn we in de gracht gesprongen.”

Boven: Pablo van de Poel van de band DeWolff. Links: achter de drums zijn broer Luka van de Poel en op toetsen Robin Piso.
Boven: Pablo van de Poel van de band DeWolff. Links: achter de drums zijn broer Luka van de Poel en op toetsen Robin Piso. Foto’s Roger Cremers

‘Toux-Da-Loux’, take 1. (24 augustus 2015). Het is onbewolkt in Utrecht, maar toch onweert het. De plaatselijke donderbui blijkt te komen uit een kelder aan de Oudegracht. Zwetend in zijn cowboylaarzen hakt Luka van de Poel (21) als een bezetene op zijn drumstel. In een onnavolgbaar spervuur aan tromroffels en bekkengekletter weet hij helden als John Bonham, Keith Moon en Ian Paice tot leven te kloppen.

Tot hij zichzelf in de knoop drumt. Maar zijn armen en voeten mogen dan verstrengeld zijn geraakt, in zijn hoofd blijft de drumsolo gewoon doorbeuken. En dus brult hij zijn teleurstelling ritmisch mee, in de maat van de gemiste roffels: „NEE-NEE-NEE! NEE-NEE-NEE! NEE-NEE-NEE! NEE-NEE-NEE-NEE-NÉÉÉÉÉH!” Bij de laatste kreet trapt hij al zijn frustratie stuk op zijn basdrumpedaal: BOEM!

Even is het stil.

„WHOEAAAH!!!”

Broer en zanger-gitarist Pablo van de Poel (24) en organist Robin Piso (25) barsten uit in luid gejuich. Zij weten zeker: een mooier einde van hun nieuwe plaat hadden ze zich niet kunnen wensen.

Luka: „Helemaal kut dit.”

Robin: „Nee man. Supervet!”

Pablo: „Fucking nice!”

Luka: „Echt?”

Even later hangen de drie over de mengtafel om het nummer Toux-Da-Loux terug te luisteren. Als aan het eind iedereen moet schaterlachen, snapt ook Luka dat ze deze opname moeten houden. „Ladies and gentlemen”, kondigt Robin vakkundig af. „You’ve just witnessed a take!”

Welkom in de Electrosaurus Southern Sound Studio, ook wel de huiskamer/ kelderstudio van het psychedelische rocktrio DeWolff. Afgelopen zomer leefden de bandleden hier als kluizenaars. „Meestal tussen tien uur ’s ochtends en drie uur ’s nachts”, aldus Luka, die net als zijn broer ‘op kruipafstand’ woont. „En ik slaap daar”, gebaart Robin richting het voorste deel van de kelder, waar tafel, stoelen en bed staan. „Als een soort waakhond.”

Doel van de opsluiting: het vijfde album ROUX-GA-ROUX, dat vandaag verschijnt. Het is een plaat vol stomende en soulvolle bluesrock die lijkt te zijn opgeborreld uit een verborgen gebleven Nederlands moeras en bovendien belachelijk volwassen klinkt voor zo’n (nog steeds) piepjonge band.

Eigenlijk is de Electrosaurus Southern Sound geen studio, maar een teletijdmachine. Wie de deur van de boogvormige kelder achter zich dichttrekt, belandt in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. En niet alleen vanwege de Perzische tapijten, fluwelen gordijnen (tegen de echo) en de opgezette buizerd, ekster en reeënkop. Het echte tijdreizen doet DeWolff dankzij de zorgvuldig bij elkaar gespaarde apparatuur. Naast het immense mengpaneel staat een dertig jaar oude bandrecorder. Verderop verrijzen flatgebouwen aan stokoude compressors, equalizers en buizenversterkers.

De nieuwste en tegelijk ook oudste aanwinst staat achter het drumstel: een langwerpige, maar verder weinig bijzonder uitziende houten kast. „Uit 1961”, zegt Robin trots. „Er zit een stalen plaat in”, vult Pablo aan. „Als je daar het geluid doorheen stuurt, gaat het echoën. Zo’n plaatgalm is lastig te vinden en duur. We hebben superlang getwijfeld, maar omdat we het nieuwe album analoog wilden opnemen, moesten we hem hebben.” Grijnzend: „Hij klinkt echt niet normaal goed: de mooiste reverb ooit.”

Dat het per se analoog moest is geen hipsterdingetje, verklaren de drie plechtig. Het gaat om liefde voor de muziek en eerbied voor het verleden. Computerloos opnemen brengt je niet in de verleiding om met een paar muisklikken foutjes weg te poetsen, maten te verschuiven of valse noten door zuivere te vervangen. Een taperecorder is eerlijk en meedogenloos. En het belangrijkste: „Het klinkt veel vetter en warmer”, vindt Pablo. „Beter dan wat we nu hebben staan bestaat niet.”

De stap van jongehondenbandje naar grootinvesteerders in antieke apparatuur ging geleidelijk, zeggen ze. DeWolff begon in 2007 onder de tuin van het ouderlijk huis in Geleen. Om de buurt te beschermen liet vader Van de Poel er een container ingraven, die dienst deed als geluidsdichte repetitieruimte. Luka: „Daar namen we ook al op.” Robin: „Al was dat nog houtje-touwtje.” Pablo: „We hebben steeds meer geleerd. Bij de eerste drie albums die we in België maakten, maar vooral bij de vorige plaat die we in Amerika opnamen bij Mark Neill, die ook The Black Keys heeft geproduceerd. Ik vond dat we het nu zelf wel konden.”

Black Cat Woman, gitaarsolo, take 3 (6 augustus)

En dat klopt, leert een paar dagen toekijken. Wat opvalt is de combinatie van toegewijd vakmanschap en speels gemak. De band legt de laatste hand aan Black Cat Woman – een swingende soulgroove die ontaardt in een zwoele hoempa-shuffle. Daar moet nog een gitaarsolo in. Detail: waar in een normale studio een strenge producer de knoppen bedient, duwt Pablo op het allerlaatste moment zelf de record-knop in. Na drie pogingen heeft hij een perfecte gitaarsolo op de band geknald. Volgend nummer.

Analoog opnemen dwingt je ‘extreme keuzes’ maken, legt Pablo uit. Die solo van zojuist ligt nu voor altijd vast, die kan nu niet nog nadien met allerlei effecten worden bewerkt. „Je moet dus vooraf het geluid maken dat je wilt hebben.” Het hoort bij „de vergeten kunst van het opnemen”, zegt hij. „Mensen vinden het shocking dat wij de drums met maar twee of drie microfoons opnemen. Bijna iedereen hangt zo’n kit vol. Maar ik zet eerst één microfoon neer en luister of ik misschien iets mis. En dan zet ik er hooguit een paar bij.” Het moet gezegd: de drums op ROUX-GA-ROUX klinken geweldig.

Het is dag zestien in de tijdmachine en de wallen onder de ogen van de bandleden verraden dat ze tropendagen maken. Robin: „Als je geen daglicht ziet en alleen maar tosti’s eet, word je sowieso wakker met een kater – ook als je niets hebt gedronken.” En dan is het ook nog de heetste dag van het jaar, zucht hij. Luka: „Mensen verklaren ons voor gek.” Robin trekt zijn shirt uit en staart naar de boten. „Hé jongens”, puft hij. „Zullen we de volgende plaat in de winter opnemen?”

Tired of Loving You, take 7. (24 augustus, 15:32)

De band loopt. Tired of Loving You is een trage bluesballad die volgens het Child-in-Time-principe ontspoort in een dampende jam met gierende gitaar- én orgelsolo. Ongeveer iedere band zou zulke solo’s ‘inprikken’, oftewel: een voor een over de kale basis opnemen. Zo voorkom je dat je door één valse noot het hele nummer opnieuw moet spelen. DeWolff neemt alles in één keer op. „Dat houdt het lekker spontaan.” Uitdaging: gelegenheidsbassist Joep Bollinger heeft geen idee wat hij moet spelen. Het akkoordenschema is voor hem op het bord gekalkt:

„Cm | Ab | Bbm | Fm

Ab | C | Db Bbm | Ab C”

Robin trapt af met een intro op de Wurlitzer, de elektrische piano. Terwijl hij in opperste concentratie boven zijn toetsen hangt en kruislings akkoorden overpakt, grist Pablo bier uit de koelkast. Na een take of vijf kent Joep het nummer. Twee pogingen later staat het erop. Na een snel weggewerkte pizza is het tijd om te zingen. „Dat doe ik het liefst zo snel mogelijk”, zegt Pablo. „Dan kunnen we door.” Even later staat hij met een biertje in de hand – „bij Mark Neill in de studio ten strengste verboden” – voor de microfoon. „Vette sjizzle”, concludeert Luka een half uur later. Weer een nummer klaar.

„Val je in slaap?”, vraagt Robin, als Joep gaapt. „De ruimte begint zuurstofarm te worden”, antwoordt hij. „Daar word ik sloom van.” Pablo: „Ah joh, da’s goed voor de vibe.”

Gelukkig is de verfrissing nabij, net als een paar dagen eerder toen ze voor de achtergrondzang in Love Dimension een twaalfkoppig koor hadden opgetrommeld. Luka: „Iedereen werd steeds dronkener.” Robin: „Uiteindelijk zijn we ’s nachts met zijn allen in de gracht gesprongen.” Pablo: „Ik zie ons niet meer naar een professionele studio gaan.”