Komt een weduwe bij de kapper

Rouwen en een nieuw leven opbouwen in het Ierland van de jaren zestig: niet eenvoudig.

Dublin, 1963 Foto Koen Wessing/Hollandse Hoogte

‘Het leven berooft ons van meer dan de dood”, schreef de Duitse componist Brahms toen hij zijn Deutsches Requiem af had. Met dit requiem eindigt Nora, de nieuwste roman van de Ierse schrijver Colm Tóibín (1955). Dat is een veelzeggende keuze, omdat Brahms geen mis voor de doden schreef, maar zijn werk als een opdracht zag aan de hele mensheid. Het requiem moet zowel de Ieren als de weduwe Nora de toekomst wijzen. Laatstgenoemde probeert zich los te zingen van het Ierse dorpsleven in Enniscorthy in County Wexford, waar Tóibín zijn romans vaker laat afspelen.

De Nora van Tóibín is een vrouw van in de veertig die na de dood van haar man achterblijft met vier kinderen. Levend in een welwillende omgeving wordt ze verstikt door de mores van diezelfde omgeving. Soms mondt dat uit in geestige passages, zoals wanneer ze bij de kapper haar haar laat verven. Ze moet immers zelf ‘haar uren weer leren invullen’ in het leven. Het is alleen wat bruiner dan ze had verwacht, en vooral wat stijver door de haarlak. ‘Grijs kan tegenwoordig echt niet meer’, had de kapper haar gezegd.

Jaren jonger – althans dat heeft de kapper haar beloofd – stapt Nora de straat op. ‘Naar huis lopen met haar nieuwe haarkleur deed haar denken aan de keer dat ze haar moeders huis binnenliep met die dichtbundel van Browning. Het was hetzelfde schuldgevoel, hetzelfde gevoel dat iemand haar zou volgen en haar op iets zou betrappen.’

Bloody Sunday

En inderdaad, haar omgeving reageert ronduit negatief: er als kersverse weduwe al meteen jonger en verzorgd uit willen zien, dat kan echt niet. Merkwaardig vindt de buurt het ook dat ze zoveel geld aan zichzelf uitgeeft. Als weduwe moet ze sowieso opletten: te hard lachen om kakkineuze agressie van de Ierse upperclass komt niet te pas.

Het zijn zulke details die Tóibín gebruikt om de bekrompen jaren zestig in Ierland weer te geven. Ondertussen toont hij magistraal de eenzaamheid waarin Nora terecht is gekomen na de dood van haar man. Ze zit thuis met twee jongens. De één wil fotograaf worden, maar stottert sinds de dood van zijn vader. De andere zoon wordt gepest door de katholieke broeders die zijn onderwijs verzorgen. Twee volwassen dochters proberen een eigen bestaan op te bouwen. Nora moet om het financieel te redden weer gaan werken op een kantoor dat geleid wordt door een serpent. Hoogtepunten zijn tripjes naar Dublin of twee weken vakantie in een stacaravan.

Nora is eigenlijk een vervolg op Brooklyn (2009), niet zozeer wat de personages betreft, als wel in de weergave van maatschappelijke ontwikkelingen. Brooklyn speelde zich deels af in het Ierland van de jaren vijftig. Tussen het verhaal van de naar New York vertrekkende vrouw Eilis Lacey door kwamen de troosteloosheid en werkloosheid in Ierland ter sprake. In Nora is Ierland tien jaar verder. De onlusten in Derry, die zouden uitmonden in Bloody Sunday, toen de Britse politie in 1972 veertien ongewapende jongens doodschoot, spelen op de achtergrond. In hun verzet tegen de Britten nemen de Noord-Ieren het recht in eigen hand en Nora neemt het lot in eigen hand door te zingen.

Tóibín is goed in het koppelen van maatschappelijke onrust aan een persoonlijk verhaal. Zo schreef hij in 2011 een verhaal over een priester die jaren na dato beschuldigd werd van misbruik. Hij liet het verhaal vertellen door een meisje dat misbruikt zou zijn, terwijl de priester een voorkeur voor jongens had. Het toonde niet zozeer de eenzaamheid van het meisje, als wel van de jongen die het verhaal moest aanhoren en intussen geconfronteerd werd met zijn eigen herinneringen.

Verslaafd aan jurkenuitverkoop

In Nora wordt het platbranden van de Britse ambassade in Dublin weliswaar ‘verschrikkelijk’ gevonden, maar de analyse is sober: ‘Ik denk dat het een manier is om de Britten te laten weten wat de Ieren ervan vinden’, meent Nora. Een droge observatie waar Tóibín sterk in is (en eentje die doet denken aan zijn collega Roddy Doyle die in een roman zijn hoofdpersonage de ijskast laat opentrekken als ze op tv iets ziet over de IRA-hongerstaking in 1981). Pijnlijk is dan ook dochterlief, die verslaafd is aan jurkenuitverkoop in Londen.

De aanloop naar Bloody Sunday en het ‘gevecht’ van Nora met kinderen, familie, buren maar vooral met haar eigen verdriet brengt Tóibín mooi samen. Zowel de Ieren, die wraak zoeken voor de doodgeschoten betogers, als Nora moeten een manier vinden om het verleden los te laten. De zonen van Nora doen dat door juist alles vast te leggen op de foto, Nora door te gaan zingen. Ondertussen weet Tóibín je steeds meer mee te laten rouwen om de dode man van Nora.