Hij versierde mannen, vrouwen en subsidies

Componist Peter Schat was een spindoctor en activist die iets Groots wilde neerzetten.

Peter Schat in zijn werkkamer in Amsterdam, 1994 Foto Vincent Mentzel

Het is de meest besproken opera uit de Nederlandse muziekgeschiedenis: Reconstructie, het collectieve project van schrijvers Harry Mulisch en Hugo Claus en vijf jonge componisten, onder wie de gangmaker Peter Schat. De opera is een aanklacht tegen het imperialistische Amerika en een ode aan de vermoorde vrijheidsstrijder Che Guevara. De internationale muziekpers zit bij de première, op 29 juni 1969 in Carré. Reconstructie is een daverend succes.

Een jaar later vraagt Schat, gezichtsbepalende figuur van de tegencultuur, en feilloos bespeler van de publicitaire tamtam, een werkloosheidsuitkering aan. Met die troosteloze anticlimax eindigt Alles moest anders, het eerste deel van een biografisch tweeluik over Schat (1935-2003) van schrijver en musicoloog Bas van Putten. In het tweede deel zullen de bekendste coördinaten van Schats leven aan bod komen: de Notenkrakersactie tegen het Concertgebouworkest, de fatale val van zijn geliefde Marina Schapers en de geruchtenmachine die fluistert dat Schat haar geduwd heeft, de publicatie van zijn Toonklok, een harmonisch systeem waarmee hij beweerde het westerse ‘tonaliteitsprobleem’ te hebben opgelost maar dat nauwelijks navolging vond.

Alles moest anders leest als een Bildungsroman: protestantse bakkerszoon groeit omstreeks 1960 razendsnel uit tot de prominentste componist van zijn generatie. Maar het is ook de wordingsgeschiedenis van een innemende radicaal voor wie de kunst een flipperkast is. Om de haverklap wisselt hij van koers, als de vooruitzichten elders avant-gardistischer zijn. Hij bezit de gave om mensen aan zich te binden maar stoot bijna iedereen voor het hoofd.

Flirt met Fidel Castro

Schat was een man van het absolute. Zo opdringerig als hij zijn studiegenoten aan het Utrechtse conservatorium tot het christendom probeert te bekeren, zo missionair is hij een paar jaar later in zijn omarming van de seriële compositietechniek. Pierre Boulez, het opperhoofd van het serialisme, wordt zijn leraar en afgod. Na een jaar zweert hij hem al af. Begin 1968 ziet hij samen met Mulisch in Cuba het licht van de revolutie. Wanneer hij decennia later spijt betuigt van zijn flirt met Castro, kan hij niet verkroppen dat Mulisch weigert hetzelfde te doen – het betekent het einde van hun vriendschap. Voor Schat is er geen tussenweg, het moet op zíjn manier. En die manier verandert om de haverklap van gedaante.

Het zwaartepunt van het boek ligt bij de voorloper van Reconstructie, de mislukking van het totaaltheater Labyrint (1961-’66), gebaseerd op de roman De paradijsvogel van Louis Paul Boon. Dit moet het klapstuk worden van Schats succes, een acceleratie langs omarmde en vervolgens verachte muziekstijlen, op weg naar zijn natuurlijke habitat: de frontlinie van de tijdgeest.

Net als Reconstructie is Labyrint een interdisciplinair samenwerkingsproject. De bedoeling is om muziek, theater, dans en beeldende kunst zonder keurslijf naast elkaar te laten bestaan – dat keurslijf is het autoritaire establishment, Labyrint is de vrijheid en de revolutie. Na jarenlang getouwtrek, waarbij Schat blufpoker speelt met iedere denkbare subsidieverstrekker, gaat Labyrint in 1966 eindelijk in première. Media besteden dan al jaren ruim aandacht aan het project. Er worden tonnen aan besteed. Er worden wonderen van verwacht. Maar achter de schermen desintegreert het productieteam. Regisseur Peter Oosthoek en choreograaf Koert Stuyf gaan elkaar te lijf. Niemand weet hoe het verder moet. En Schat is onvindbaar. Hij is druk met andere dingen. En met andere mensen – het is ‘zo oneerlijk om m’n talenten voor liefde niet aan iedereen te besteden’, citeert Van Putten uit een bericht aan Schats geëmigreerde zus. Er moeten brandbrieven geschreven, barricades beklommen, mannen en vrouwen versierd, subsidieaanvragen gedaan voor zelden gerealiseerde projecten.

Te druk om te componeren

Labyrint is geen doolhof maar een dwaling, merkt een criticus snedig op. Maar wel een invloedrijke dwaling, die de weg effent voor Reconstructie en die het jichtige naoorlogse muzieklandschap door elkaar schudt.

Voortreffelijk gedocumenteerd en in een virtuoze, soms lichtelijk gezwollen stijl toont Van Puttens boek het begin van de moderne muziek in Nederland. Anders dan zijn Reconstructie-collega’s Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw lijkt Schat als musicus al volkomen vergeten. Zijn muziek wordt dertien jaar na zijn dood niet meer gespeeld. Sowieso was Schat als gehaaid subsidiejager, spindoctor, activist en revolutionair vaak veel te druk om te componeren. Componeren was bijzaak, lijkt het haast. Het ging om… ja, waar ging het eigenlijk om? Om Peter Schat, is het simpele antwoord, maar daarvoor was zijn tomeloze inzet te genereus en zijn ambitie te substantieel. Muziek was het vehikel voor de totstandbrenging van Iets Groots. Een vehikel, dat wel, waarvoor hij ontzaglijk veel talent had.