En het land met de beste zorg is...

Nationale zorgstelsels, ook het Nederlandse, komen er in internationale vergelijkingen opvallend wisselend uit.

Nederlander drinkt relatief weinig
Nederlander drinkt relatief weinig

Arne Björnberg heeft de grootste moeite om zijn enthousiasme te beheersen. Hoe hij zijn internationale databank over zorgstelsels ook opbouwt, naar welke indicatoren hij ook kijkt, Nederland scoort bijna altijd het hoogste. De verleiding is dus wel erg groot om te zeggen dat Nederland gewoon het beste zorgstelsel van Europa heeft, zo noteert de Zweedse hoogleraar in zijn jongste jaarlijkse rapport.

Björnberg heeft een eigen bedrijfje dat jaarlijks een Europese index publiceert, de Euro Health Consumer Index. De ondernemende professor is in Den Haag inmiddels een graag geziene gast; het Nederlandse systeem lijkt geen zwakke plekken te hebben, stelt de wetenschapper in zijn jongste analyse. En, ja inderdaad, hij weet dat zijn project alleen een graadmeter is voor de mate van patiëntvriendelijkheid en niet voor welk stelsel het beste is. Maar of je nu kijkt naar de zorg voor diabetici, voor mensen met hartproblemen of patiënten met hiv of hepatitis: Nederland bevindt zich de laatste tien jaar steevast in de top van de ranglijstjes die Björnberg samenstelt.

Zijn conclusie: Nederland is doodeenvoudig de beste – qua patiëntenrechten en inspraak excelleert Nederland, en ook met korte wachttijden, sterftecijfers, preventie en toegang tot medicatie.

Het is een boodschap waaraan politici van de coalitiepartijen graag refereren als oppositiepartijen als SP of PVV weer snoeiharde kritiek op het kabinetsbeleid hebben en de indruk wekken alsof de Nederlandse gezondheidszorg slechter is geregeld dan in, zeg, Burkina Faso.

Maar toch zijn er wel wat vraagtekens te plaatsen bij de studies van het Health Consumer Powerhouse van Björnberg. Advieskantoor KPMG gaf daar afgelopen week al een kleine illustratie van. De baas van de Britse KPMG-divisie vloog jarenlang de wereld over om te adviseren over wat wel en wat niet werkt bij de organisatie van gezondheidszorg. Hij bundelde die ervaringen in een internationaal vergelijkend onderzoekje. Strekking: er bestaat geen beste zorgsysteem, maar er zijn wel tal van onderdelen waarin individuele landen uitblinken. En Nederland? Dat blinkt nergens in uit.

Japan heeft volgens KPMG de beste ouderenzorg, Frankrijk excelleert in keuzevrijheid, de financiering is het best in Zwitserland georganiseerd, Singapore is het beste geautomatiseerd, in de VS is het meeste onderzoeksgeld beschikbaar, de Scandinavische landen zijn goed in preventie en Australië munt uit in de geestelijke gezondheidszorg. Et cetera.

Volgens KPMG krijgen de Nederlanders te weinig zorg voor hun euro’s: afgezet tegen de omvang van de economie zijn de uitgaven in Nederland de hoogste in Europa. Nederland geeft 12,4 procent van het nationaal inkomen uit aan zorg, Singapore 4,9 procent. Terwijl ze in Singapore met een gemiddelde levensverwachting van 83 jaar toch nog ouder worden dan in Nederland. De Aziatische stadstaat kent volgens KPMG-adviseur Anna van Poucke „een goede balans tussen gezondheid en ouderenzorg en een goede mix tussen enerzijds de verantwoordelijkheid van de burger en de rol van de overheid”.

KPMG neemt in zijn afwegingen dus ook de lasten mee en niet alleen de baten, zoals Björnberg doet. En omdat de adviseurs de opbrengsten anders meten, komt Nederland er weliswaar goed uit met zijn prestaties, maar nergens als beste.

Hoe vergelijk je zorgstelsels?

De verschillende uitkomsten van de twee vergelijkende internationale studies tonen hoe moeilijk het is om zorgstelsels te vergelijken. De Wereldgezondheidsorganisatie WHO wees er vorig jaar op dat het zeer de vraag is in hoeverre alle indicatoren uit de Euro Health Consumer Index internationaal te vergelijken zijn. Ook bestaan er verschillen tussen de landen in de manier waarop de data worden verzameld, er zijn verschillen in de kwaliteit van de data en in de beschikbaarheid ervan.

Bij levensverwachting speelt levensstijl een niet onbelangrijke rol. Nederlanders leven qua drank en roken relatief gezond , maar er zijn aanwijzingen dat de leefwijze in mediterrane landen (minder vlees, minder boter, meer olijfolie, meer verse groenten) nog een stuk gezonder is en betere resultaten oplevert.

Echter, wie in Nederland kanker krijgt, heeft lagere overlevingskansen dan in menig ander land. Wat is daar dan de verklaring voor? Slechtere zorg? Of ligt het aan het type kanker?

Alleen door zeer grondige vergelijking, waarbij iedere afwijking op zijn merites en tegen de achtergrond van zijn eigen zorgstelsel wordt beoordeeld, kan recht worden gedaan aan de immense verschillen tussen systemen, meent de WHO. Daar wordt door heel wat wetenschappers op gepuzzeld. Er zal toch onder supervisie van een internationaal onafhankelijk orgaan, bijvoorbeeld de Oeso, een beter ‘geraamte’ moeten worden gebouwd om stelsels met elkaar te vergelijken, is het advies.

De Oeso, de club van rijke landen, doet dat inderdaad steeds beter met het jaarlijkse Health at a glance-rapportage over zeer uiteenlopende facetten in de gezondheidszorg, zonder een ultieme ranglijst, maar wel met een schat aan informatie en onderlinge vergelijkingen. Dat levert de beste ingrediënten voor beleidsmakers, artsen en verzekeraars om over inrichting van het stelsel na te denken. En biedt ook beter houvast om een politieke discussie te voeren over de voor- en nadelen van het Nederlandse stelsel.