Bijna alle olielanden worden nu nerveus

Van Nigeria tot Brazilië en van Saoedi-Arabië tot Kazachstan wordt de noodklok geluid nu olie zo weinig opbrengt.

Olie is te goedkoop om uitgaven te dekken
Olie is te goedkoop om uitgaven te dekken

Bloedende staatsfinanciën zijn niet het exclusieve probleem van de Russische president Poetin. Bij vrijwel alle grote producenten van olie en gas luidt de noodklok. De val van de olieprijs van rond 150 dollar per vat in de zomer van 2014 naar nauwelijks boven de 30 dollar nu, brengt wereldwijd de exporteurs van olie en gas in het nauw.

Stuk voor stuk betreft het landen die voor een groot deel van hun staatsinkomsten afhankelijk zijn van olie en gas. Vaak ook zijn het landen die weinig andere inkomsten hebben doordat het belastingsysteem nooit echt goed is ontwikkeld – juist omdat de inkomsten zo vrij en rijkelijk vloeiden. Even vaak betreft het landen die een stelsel van voorzieningen en van patronage op al die inkomsten hebben gebouwd – een systeem dat nu zo duur blijkt dat er bij dalende olie-inkomsten meteen grote tekorten ontstaan. Meestal is de rest van de economie zo slecht ontwikkeld door de luxe van de olierijkdom dat er nauwelijks andere export is om buitenlandse deviezen mee te verdienen. Deze eenzijdigheid breekt ze nu op.

Dat geldt niet alleen voor olie-inkomsten. Ook de exporteurs van andere grondstoffen hebben het zwaar: daarvan zijn de prijzen eveneens gekelderd. Maar olie is een geval apart. De prijsval is versneld doordat Saoedi-Arabië niet langer wil optreden als verantwoordelijke macht die de prijzen op peil houdt door bij een daling de productie te verminderen. Met die strategie hield het land anderhalf jaar geleden op.

Hoe groot de nood is, valt af te lezen aan de zogenoemde break-even-prijs van olie. Daalt olie daaronder, dan ontstaat er een begrotingstekort. Onder meer het Internationale Monetaire Fonds rekent deze break-evenprijzen uit. De huidige olieprijs zit daar ver, zeer ver, onder. Hoewel ze niet zaligmakend zijn (de Amerikaanse Council on Foreign Relations publiceerde er in november vorig jaar nog een kritisch rapport over), geven de break-even-prijzen wel een indicatie van mogelijke problemen.

De noodgrepen stapelen zich inmiddels op. Kazachstan ging Poetin in november vorig jaar voor met de aankondiging 60 staatsbedrijven (deels) te verkopen en van het land een tweede Dubai te maken dat minder afhankelijk is van olie. De Saoediërs hebben hun deviezenreserves inmiddels in één jaar tijd met zo’n 100 miljard dollar zien kelderen. Dit jaar wordt de eerst internationale obligatielening ooit gepland en gedacht wordt aan de verkoop van een klein deel van staatsoliebedrijf Saudi Aramco aan beleggers. Kredietbeoordelaar Standard & Poor’s heeft het land inmiddels afgewaardeerd van AA- naar A+, toevallig exact dezelfde afwaardering die oliebedrijf Shell maandag kreeg.

De olifant in de kamer

Andere landen lijken de zelfstandige oplossingen al voorbij. Twee weken geleden landde een team van het IMF in Bakoe, de hoofdstad van olieland Azerbajdzjan, voor het voorbereiden van een noodlening van naar verluidt 4 miljard dollar.

Nigeria vraagt inmiddels 3,5 miljard dollar aan de Wereldbank en de Afrikaanse ontwikkelingsbank – hoewel nog onduidelijk is of die twee instellingen dit zonder betrokkenheid van het IMF wel willen doen. Er is haast. De acht Afrikaanse olie-exporteurs, met Nigeria en Angola voorop, zijn goed voor de helft van het bbp van het Afrikaanse continent.

En Venezuela, dat onder president Chávez alle banden met het IMF verbrak, knoopt de relaties nu weer aan. Van alle olielanden is de economie van Venezuela er veruit het slechtst aan toe. Ten slotte nog de olifant in de kamer: grondstoffenproducent én olieland Brazilië, dat een zeer zware recessie doormaakt. Opgeteld bedragen de geraamde begrotingstekorten tussen 2014 en 2016 meer dan 20 procent van het bbp. De dag lijkt te naderen dat het land niet zonder internationale assistentie meer kan. En dan moet de internationale financiële hulpverlening pas écht in de touwen.